Onderdeel van Health Cockpit, praktijkmanagement voor moderne gezondheidsondernemers. Ontdek het platform →

← Alle Lab markers-artikelen

Health Cockpit Research

Dit artikel komt uit de research-bibliotheek van Health Cockpit, het praktijkmanagement-platform voor functioneel werkende therapeuten.

APRI-score: Klinische Interpretatie

1. Twee fibrosescores naast elkaar

Naast de FIB-4-index (voluit fibrose-4, naar de vier waarden waarop hij steunt) bestaat er een tweede eenvoudige score voor littekenvorming in de lever: de APRI-score (APRI is de verhouding tussen het leverenzym ASAT, voluit aspartaataminotransferase, en het aantal bloedplaatjes). Zij dateert uit 2003 en werd ontwikkeld bij mensen met hepatitis C.

Dat er twee van dit soort scores naast elkaar bestaan, heeft een praktische reden. Deze score heeft maar twee waarden nodig, waardoor zij overal ter wereld uitvoerbaar is, ook waar bloedonderzoek beperkt beschikbaar is. Om die uitvoerbaarheid beveelt de Wereldgezondheidsorganisatie haar aan als eerste stap bij chronische hepatitis B, naast leverelastografie, een meting van de stijfheid van de lever. Daar komt bij dat zij niet met de leeftijd rekent, waardoor zij minder met de jaren meestijgt dan de FIB-4-index.

Dit artikel legt uit hoe de score wordt berekend, wat zij goed kan en waar zij tekortschiet, en wanneer je beter naar de FIB-4-index grijpt. Die keuze is de kern, want elk van de twee is het sterkst in een andere situatie.

2. Wat erin gaat

De berekening deelt het leverenzym ASAT door de bovengrens die het eigen laboratorium voor dat enzym hanteert, vermenigvuldigt dat met honderd en deelt het geheel door het aantal bloedplaatjes. Let bij het zelf rekenen op de eenheden: het enzym in eenheden per liter, de bloedplaatjes in miljarden per liter, dus 250 en niet 250.000.

Die twee ingrediënten dekken samen twee kanten van hetzelfde proces. Het enzym stijgt bij schade aan de levercel, en bij gevorderde schade komt er relatief meer van vrij, omdat een deel ervan uit de energiefabriekjes van de cel komt. Die verschuiving ten opzichte van het tweede leverenzym ALAT (alanineaminotransferase) heet de De Ritis-ratio, en staat uitgewerkt in het artikel daarover. De bloedplaatjes dalen naarmate de lever verlittekent. Dat komt doordat de druk in de poortader, die het bloed vanuit de darm naar de lever voert, oploopt, waardoor de milt opzwelt en meer bloedplaatjes wegvangt, en doordat de beschadigde lever minder maakt van het hormoon dat de aanmaak van bloedplaatjes aanstuurt.

Twee dingen maken uitkomsten van verschillende laboratoria slecht vergelijkbaar. Het eerste is dat de score rekent met de bovengrens die het eigen labo voor het enzym hanteert, en die grens verschilt per labo. Het tweede is dat laboratoria het enzym zelf ook verschillend bepalen; het artikel over de FIB-4-index werkt dat uit. Volg iemand dus bij hetzelfde labo.

3. Grenswaarden per situatie

SituatieWat je zoektGrenswaarde
Chronische hepatitis BDuidelijke littekenvormingBoven 0,5
Chronische hepatitis BCirroseBoven 1,0
Leververvetting door een gestoorde stofwisselingGevorderde littekenvormingBoven 1,0, of boven 1,5
Hepatitis C, klassieke grenzenDuidelijke littekenvormingBoven 0,5, en boven 1,5 voor meer zekerheid
Hepatitis C, klassieke grenzenCirroseBoven 1,0, en boven 2,0 voor meer zekerheid

De patholoog deelt littekenvorming in op een schaal van F0 tot F4, waarbij F0 geen littekenweefsel is en F4 cirrose; duidelijke littekenvorming is graad F2 of hoger en gevorderde littekenvorming graad F3 of hoger. Bij leververvetting blijft onder de grenzen 1,0 en 1,5 de helft tot ruim vier op de vijf van de gevorderde littekenvorming onopgemerkt; sectie 4 werkt dat uit. In de onderzoeksgroepen waarin ongeveer een kwart gevorderde littekenvorming had, was boven grens 1,0 ongeveer vijf op de tien uitslagen loos alarm en boven grens 1,5 ongeveer vier op de tien; in een praktijk waar die littekenvorming zeldzamer is, loopt dat verder op. De grenzen bij hepatitis B komen uit de richtlijn van de Wereldgezondheidsorganisatie uit 2024, die steunt op een meta-analyse van ruim tweehonderd studies. De klassieke grenzen bij hepatitis C komen uit het oorspronkelijke werk uit 2003 (PMID 12883497). Een latere meta-analyse van veertig studies bij hepatitis C laat zien dat de score daar matig onderscheidt, en rapporteert voor duidelijke littekenvorming de beste balans tussen vinden en met rust laten bij een grens van 0,7 (PMID 21319189).

4. Waar de score sterk is en waar zij tekortschiet

Deze score heeft een uitgesproken profiel, en wie dat kent, gebruikt haar goed.

Bij chronische hepatitis B vindt zij bij de lage grenswaarde voor elk van beide vragen, 0,5 en 1,0, bijna driekwart van de mensen met duidelijke littekenvorming en ongeveer zes op de tien van de mensen met cirrose, maar stuurt zij ook veel mensen zonder schade ten onrechte door. Bij een hoge grenswaarde keert dat om: wie daarboven uitkomt heeft vaker werkelijk schade, maar zeven op de tien mensen met duidelijke littekenvorming blijven eronder, en bij cirrose is dat net zo. Dat betekent dat een uitslag onder de hoge grens niets uitsluit.

Bij leververvetting presteert de score duidelijk minder dan de FIB-4-index en dan de fibrosescore die speciaal voor dat beeld is gemaakt. Bij de grens van 1,0 vindt zij daar maar de helft van de gevorderde littekenvorming, en bij 1,5 nog minder dan een op de vijf. Gebruik bij leververvetting dus de FIB-4-index, en lees een lage uitkomst van deze score daar niet als geruststelling.

In één situatie doet zij het beter dan de FIB-4-index en dan de De Ritis-ratio: het inschatten van het risico op cirrose in de komende tien jaar bij mensen bij wie in de huisartsenpraktijk leverwaarden zijn geprikt. Een Welsh cohort zette die drie markers naast elkaar (PMID 41496649), en deze score leverde daar de grootste winst op. De onderzoekers waarschuwen er zelf bij dat het vals alarm van alle drie de markers buiten groepen met een verhoogd risico onaanvaardbaar hoog blijft. Die voorsprong geldt bovendien zolang je bereid bent meer dan vijf à zes onnodige verwijzingen per gevonden geval te aanvaarden; wil je selectiever verwijzen, dan wint de FIB-4-index. Bij de grenswaarde van 1,5 kregen vierentachtig van elke honderd verwezen mensen vals alarm; de overige zestien ontwikkelden binnen tien jaar werkelijk cirrose of leverkanker. Dat is één cohort. Eén ander overzicht keek naar de voorspellende waarde van deze score, de FIB-4-index en de fibrosescore voor leververvetting samen, maar bij een andere groep en naar andere uitkomsten: mensen met leververvetting in de tweede en derde lijn. Alle drie voorspelden leverspecifieke gebeurtenissen goed, maar voor sterfte kwam deze score in elke studie lager uit dan de andere twee (PMID 32946642). Een voorsprong had zij daar dus niet.

5. Wanneer deze score, en wanneer de FIB-4-index

SituatieVoorkeurReden
Chronische hepatitis B, met ruime middelenFIB-4-index of leverelastografieOnderscheiden de zwaardere graden beter; in een meta-analyse bij hepatitis B haalde de FIB-4-index voor gevorderde littekenvorming en voor cirrose een hoger onderscheidend vermogen dan deze score, terwijl het verschil voor duidelijke littekenvorming te klein was om hard te maken (PMID 25132233)
Chronische hepatitis B, met beperkte middelenAPRI-scoreEenvoudiger, en de leeftijd hoeft er niet bij; let wel op het voorbehoud voor Afrika ten zuiden van de Sahara in sectie 8
Chronische hepatitis CBeide bruikbaar, met een streepje voor de FIB-4-indexHet vergelijkend onderzoek valt licht in het voordeel van de FIB-4-index uit; in de systematische review die de twee rechtstreeks met elkaar vergeleek, presteerde deze score bij het aanwijzen van cirrose minder goed; die uitkomst komt uit de gepoolde analyse van hepatitis B en C samen (PMID 26516104)
LeververvettingFIB-4-index, eventueel met de fibrosescore voor leververvettingDeze score vindt bij de gebruikelijke grenzen maar de helft tot een vijfde van de gevorderde littekenvorming en is daar niet geschikt om iets uit te sluiten
Het risico op cirrose inschattenAPRI-scoreLeverde in het hoofdcohort uit de algemene bevolking de grootste winst op, en dat alleen zolang je bereid bent meer dan vijf à zes onnodige verwijzingen per gevonden geval te aanvaarden. In een overzicht uit de tweede en derde lijn bij mensen met leververvetting is die vergelijking niet herhaald: dat overzicht keek naar andere uitkomsten en zette deze score naast de FIB-4-index en de fibrosescore voor leververvetting, en daar kwam zij voor sterfte lager uit dan die twee, zoals sectie 4 uitlegt. Voor de risicogroepen apart geven de Welshe onderzoekers die grens van vijf à zes niet; daar vang je bij dezelfde risicodrempel wel een groter deel van de gevallen met minder verwijzingen in totaal. Verlaag je die risicodrempel om eerder te verwijzen, dan stuurt het model in werkelijkheid meer mensen onnodig door per gevonden geval: bij een drempel van 3 procent zijn dat er in het hoofdcohort ruim acht. Bij een hogere drempel verwijst het model minder mensen en dalen die onnodige verwijzingen per gevonden geval mee, maar vindt het ook minder gevallen: bij een drempel van 10 procent vindt het er ruim vier op de tien in plaats van zeven op de tien. Die vijf à zes is een afweging die je vooraf maakt en geen uitkomst van het model. Wil je juist minder mensen doorsturen, dan doet de FIB-4-index het beter
Acute leverontstekingGeen van beideDe enzympieken vertekenen elke score
Boven de 65 jaarFIB-4-index met de aangepaste grens van 2,0Deze score hangt minder van leeftijd af, maar is in die groep minder gevalideerd

Bij twijfel gebruik je ze naast elkaar. Wijzen ze dezelfde kant op, dan is het oordeel steviger. Wijzen ze verschillende kanten op, dan is dat zelf het signaal om over elastografie af te stemmen. Kijk eerst wel of je cliënt een cholesterolverlager gebruikt: een stijgend ALAT uit de lever duwt de FIB-4-index omlaag terwijl deze score niet met dat enzym rekent, waardoor de twee ook zonder leverschade uiteen kunnen lopen. Krijgt je cliënt spierklachten van hetzelfde middel, dan stijgt het ASAT en gaan beide scores juist samen omhoog.

6. Wat de uitkomst verstoort

Omdat de score op twee waarden steunt, verstoort alles wat een van die twee beweegt ook de uitkomst. Het gaat daarbij twee kanten op.

De score valt te hoog uit wanneer het enzym stijgt zonder dat littekenvorming de reden is: bij afbraak van rode bloedcellen, bij een acute leverontsteking, bij spierschade door training, een injectie of een cholesterolverlager, waarbij het ASAT uit de spier komt en niet uit de lever, bij een hartinfarct, en bij ontsteking van de alvleesklier. Zeldzaam maar beschreven is een vorm waarin het enzym aan een antistof gebonden raakt, waardoor het in het bloed blijft rondzweven.

Ook het tweede ingrediënt, het aantal bloedplaatjes waardoor je deelt, kan het beeld verstoren. Lage bloedplaatjes om een andere reden dan leverschade duwen de score omhoog: bij een auto-immuunoorzaak, bij chemotherapie, bij beenmergremming door alcohol, bij een vergrote milt door een andere ziekte, en tijdens de zwangerschap.

De score valt te laag uit bij iemand met weinig spiermassa en een daardoor bescheiden enzymwaarde. Bij een oudere vrouw met leververvetting kan de score dan geruststellend ogen terwijl de littekenvorming al gevorderd is. Deze richting is de lastigste, want zij stelt gerust terwijl er wel iets aan de hand is.

7. Stappenplan bij chronische hepatitis B

UitkomstWat het betekentWat er volgt
Onder 0,5, en bij elastografie onder 7 kilopascalLaag risicoOpvolgen volgens het gewone schema
Boven 0,5, of bij elastografie tussen 7 en 12,5 kilopascalReden voor verder onderzoek naar duidelijke littekenvormingIn de richtlijn geldt dit als reden om antivirale behandeling voorrang te geven, in samenhang met de andere criteria
Boven 1,0, of bij elastografie boven 12,5 kilopascalVerdenking op cirrose; bevestig met elastografie wanneer die nog niet gedaan isIn de richtlijn geldt dit als reden voor antivirale behandeling, plus controle op leverkanker en op spataderen in de slokdarm

Let op wat die grenzen wel en niet betekenen. De onderzoekers achter die richtlijn rekenden het door: in een groep waarin een kwart duidelijke littekenvorming heeft, krijgen per duizend mensen ongeveer 262 ten onrechte een uitslag boven 0,5, tegenover 182 terecht. Boven 1,0 krijgen per duizend mensen ongeveer 247 ten onrechte alarm tegenover 29 terecht wanneer een op de twintig cirrose heeft. Een uitslag boven de grens is dus een reden om verder te kijken en geen vaststelling.

Over de behandelbeslissingen in dit schema stem je af met wie de antivirale behandeling voorschrijft. Voor jouw eigen traject telt vooral de eerste regel: een lage uitkomst sámen met een lage uitkomst op de elastografie betekent dat er op dat moment geen aanwijzing voor gevorderde schade is, en dat je je werk rond voeding en leefstijl gewoon voortzet. De score alleen draagt die geruststelling niet: bij de cirrosegrens rond 1,0 blijft ruim vier op de tien cirrosegevallen eronder.

8. Groepen met een eigen aanpak

Bij de groepen hieronder betekent dezelfde uitslag iets anders dan bij een doorsnee volwassene: de score is er onbetrouwbaar, nooit vastgelegd, of zij vraagt andere grenzen. Bij zwangeren en bij nierschade komt dat doordat een van de twee ingrediënten zich daar anders gedraagt. Lees het aandachtspunt ernaast voor je een uitslag in een van deze groepen beoordeelt.

GroepAandachtspunt
KinderenDe score is hier niet gestandaardiseerd; er bestaan studies bij hepatitis B, maar zonder vaste grenswaarden
ZwangerenDe daling van de bloedplaatjes tijdens de zwangerschap maakt de score onbruikbaar
Hepatitis B in Afrika ten zuiden van de SaharaDe score presteert daar minder goed. In een meta-analyse op patiëntniveau bij 3.548 mensen in acht landen vond de cirrosegrens van 2,0 uit de toenmalige richtlijn van de Wereldgezondheidsorganisatie maar ongeveer een op de zes cirrosegevallen; de onderzoekers noemen die grens daar te hoog en stellen lagere voor (PMID 36596805). Sinds de richtlijn van 2024 ligt die grens op 1,0, zoals in sectie 3 staat, en dat is nog altijd hoger dan de grenzen die deze onderzoekers voorstellen. De verhouding tussen gamma-glutamyltransferase (GGT) en de bloedplaatjes is in West-Afrika als alternatief onderzocht (PMID 26109530)
Hiv en hepatitis C samenDe meta-analyse bij hepatitis C vond de score in deze combinatie minder nauwkeurig dan bij hepatitis C alleen (PMID 21319189). Een bloedtest met drie bindweefselmarkers presteerde er beter, al gaat het om één studie (PMID 32459305)
Dialyse of gevorderde nierschadeHet aantal en de werking van de bloedplaatjes zijn verstoord, dus voorzichtig interpreteren

9. Wat je hiermee doet bij je cliënt

Reken de score zelf uit wanneer je haar nodig hebt. Laboratoria in Nederland en Vlaanderen rapporteren haar zelden automatisch, terwijl de twee ingrediënten gewoon op het uitslagblad staan met de labgrens erbij: het bloedbeeld levert de bloedplaatjes en de leverbon het enzym, allebei aan te vragen of te laten aanvragen afhankelijk van wat in jouw praktijk kan.

Gebruik haar in de dagelijkse praktijk vooral in één van deze twee situaties. De eerste is een cliënt met een bekende leveraandoening bij wie je de FIB-4-index al berekende en een tweede oordeel wil. De tweede is een cliënt met een verhoogd risico bij wie je het risico op cirrose in de komende jaren wil inschatten, want de APRI-score haalde in dat Welshe cohort de gunstigste balans tussen gevonden gevallen en vals alarm, zolang je meer dan vijf à zes onnodige verwijzingen per gevonden geval aanvaardt. In een risicogroep vang je bij dezelfde risicodrempel een groter deel van de gevallen en stuur je in totaal minder mensen door. Bij een drempel van 3 procent krijgt ook in die groep ruwweg negen op de tien verwezen mensen vals alarm, dus benoem dat vooraf bij je cliënt.

Lees een lage uitkomst nooit als bewijs dat er niets aan de hand is: ook onder de cirrosegrens rond 1,0 blijft ruim vier op de tien cirrosegevallen onopgemerkt. Dat geldt dubbel bij iemand met weinig spiermassa, en bij iemand met diabetes type 2, waar de kans op gevorderde littekenvorming van zichzelf al hoog is; de cijfers daarover staan in het artikel over de FIB-4-index.

Wijzen deze score en de FIB-4-index verschillende kanten op, stem dan af over leverelastografie. Dat is precies het moment waarop een bloedscore haar grens bereikt. Gebruikt je cliënt een cholesterolverlager, dan verklaart dat het verschil vaak, en de FIB-4-index is dan juist de onbetrouwbare van de twee. Vraag ook naar spierklachten en leg zo nodig het creatinekinase, het spierenzym dat bij spierschade stijgt, ernaast: een spieroorzaak duwt beide scores dezelfde kant op en verklaart een verschil dus zelden, maar zij tilt wel de hoogte van beide uitkomsten op. Weinig spiermassa doet juist het omgekeerde: die duwt deze score omlaag en de FIB-4-index omhoog, en verklaart een verschil daarom wél. Is er geen spierspoor, laat dan de hoogste van de twee uitkomsten het oordeel bepalen en stel het afstemmen niet uit.

10. Kernbronnen

Research-local pipeline, uitgevoerd op 25 april 2026, met een set van 167 artikelen in de map apri-score-ast-to-platelet-ratio-index-clinical-interpretati_20260425-0938, aangevuld met kruisverwijzingen uit de FIB-4-set en de set over de verhouding tussen de leverenzymen. De formule komt uit Wai en collega’s, 2003. De richtlijnteksten zelf zitten niet in deze sets; ga voor klinische beslissingen naar de actuele richtlijn. Citatieaantallen zijn een momentopname van 25 april 2026.

PMIDTitel en cijfersJaarCitaties
12883497De oorspronkelijke publicatie uit 2003 waarin de score werd afgeleid bij chronische hepatitis C; die studie beoordeelde de littekenvorming op de Ishak-schaal en niet op de schaal F0 tot F4, waarnaar de latere literatuur haar grenzen vertaalt2003N/A
25132233Systematisch overzicht met meta-analyse waarin deze score en de FIB-4-index bij chronische hepatitis B rechtstreeks werden vergeleken, 16 artikelen over deze score alleen, 21 over beide en 2 over de FIB-4-index alleen; het onderscheidend vermogen (AUROC) lag voor gevorderde littekenvorming op 0,73 tegenover 0,82 en voor cirrose op 0,73 tegenover 0,84, beide in het voordeel van de FIB-4-index, terwijl de twee voor duidelijke littekenvorming met 0,74 tegenover 0,78 te dicht bij elkaar lagen om het verschil hard te maken; de bron onder de rij over hepatitis B met ruime middelen in sectie 52015N/A
21319189Meta-analyse van 40 studies bij hepatitis C, n=8.739; de score was minder nauwkeurig bij mensen met hiv en hepatitis C samen dan bij hepatitis C alleen; onderscheidend vermogen AUROC 0,77 voor duidelijke fibrose, 0,80 voor gevorderde fibrose (graad F3 of hoger) en 0,83 voor cirrose, met de beste balans tussen sensitiviteit en specificiteit bij een grens van 0,7 voor duidelijke fibrose2011N/A
39983746Systematische review en meta-analyse die de richtlijn van de Wereldgezondheidsorganisatie uit 2024 onderbouwde, n=61.665 uit 211 studies. Duidelijke fibrose (graad F2 of hoger): bij de lage grens 0,3 tot 0,7 sensitiviteit 72,9 procent (95%-BI 70,2-75,5) en specificiteit 64,7 procent (61,0-68,2), bij de hoge grens 1,3 tot 1,7 sensitiviteit 30,5 procent (23,7-38,3) en specificiteit 92,3 procent (89,3-94,6). Cirrose: bij de lage grens 0,8 tot 1,2 sensitiviteit 59,4 en specificiteit 73,9 procent, bij de hoge grens 1,8 tot 2,2 sensitiviteit 30,2 en specificiteit 88,2 procent. Van de 264 beoordeelde studies hadden er 231 een hoog risico op vertekening en 2 een laag risico. Ook de bron van de aanbevolen grenzen 0,5 en 1,0 en van de modelcijfers over vals alarm202539
26516104Systematische review met rechtstreekse vergelijkingen bij chronische hepatitis B en C, 71 studies met 185 directe vergelijkingen; deze score presteerde bij het aanwijzen van cirrose minder goed dan de FIB-4-index en dan leverelastografie. De auteurs zijn verbonden aan de maker van een van de meegenomen bloedtests, wat bij het lezen van hun uitkomsten meeweegt2016N/A
28586172Niet-invasieve tests bij leververvetting vergeleken, n=13.046 over 64 studies en acht verschillende tests, waarvan de cijfers hierna op een deelverzameling rusten; bij grens 1,0 sensitiviteit 50,0 en specificiteit 84,0 procent, bij grens 1,5 sensitiviteit 18,3 en specificiteit 96,1 procent. Onderscheidend vermogen AUROC 0,77, tegenover 0,84 voor de FIB-4-index en de fibrosescore voor leververvetting2017873
38489517Systematische review bij de Amerikaanse richtlijn, 286 studies, n=103.162; de FIB-4-index onder 1,45 sluit duidelijke fibrose (graad F2 of hoger) beter uit dan deze score onder 0,5, en boven 3,25 wijst hij gevorderde fibrose en cirrose beter aan dan deze score boven 1,5. Het gaat om een indirecte vergelijking op reviewniveau202539
36596805Systematisch overzicht met meta-analyse op patiëntniveau over niet-invasieve fibrosemarkers bij chronische hepatitis B in Afrika ten zuiden van de Sahara, 3.548 patiënten in acht landen, met leverelastografie als maatstaf; bij de cirrosegrens boven 2,0 uit de richtlijn van 2015 vond deze score maar 16,5 procent van de gevallen; hoeveel van de deelnemers cirrose hadden staat niet in het abstract, dus de deelgroep achter dat percentage is kleiner. De auteurs stellen lagere grenzen voor: boven 0,65 om cirrose aan te wijzen (sensitiviteit 56,2 en specificiteit 90,0 procent) en onder 0,36 om haar uit te sluiten (80,6 en 64,3 procent). De richtlijn van 2024 hanteert voor cirrose 1,0; de bron onder de rij over hepatitis B in sectie 82023N/A
26109530De verhouding tussen GGT en bloedplaatjes bij hepatitis B in West-Afrika; voorspelt daar fibrose en cirrose2016N/A
41496649Welshe eerstelijnscohort van mensen bij wie leverwaarden werden geprikt, n=203.005; deze score gaf de grootste netto winst bij het inschatten van het tienjaarsrisico op cirrose, zolang je bereid bent meer dan vijf à zes onnodige verwijzingen per gevonden geval te aanvaarden, door de auteurs uitgedrukt als een risicodrempel tot ongeveer 18 procent, een omslagpunt dat zij alleen voor het hoofdcohort geven en niet voor de risicogroepen apart. Bij een drempel van 3 procent noemen zij één gevonden geval ongeveer evenveel waard als 29 onnodige verwijzingen; dat is de prijs die je met die drempel zegt te aanvaarden. Wat hun model bij die drempel werkelijk oplevert staat in hun tabel 3: per 100.000 mensen 6.310 verwijzingen, 670 gevonden gevallen en 5.640 onnodige verwijzingen. Bij een drempel van 10 procent vindt het model er 420 van de 950, ruim vier op de tien, tegen zeven op de tien bij 3 procent (hun tabel 2). Wil je minder mensen doorsturen, dan doet de FIB-4-index het beter. Bij grens 1,5 was de kans op cirrose of leverkanker 16 procent2026N/A
41906909Correctiebericht bij de Welshe cohortstudie (PMID 41496649). De inhoud van het bericht is niet vrij in te zien, dus of een van de overgenomen cijfers erdoor verandert, is van buitenaf niet vast te stellen2026N/A
32946642Systematisch overzicht van de voorspellende waarde van deze score, de FIB-4-index en de fibrosescore voor leververvetting, 13 studies uit de tweede en derde lijn bij mensen met leververvetting, waarvan tien deze score beoordeelden, met een opvolging van 1 tot 20 jaar; voor leverspecifieke gebeurtenissen presteerden alle drie consistent goed, voor sterfte kwam deze score in elke studie lager uit dan de andere twee, en voor verandering van de fibrosegraad presteerden alle drie wisselend; de bron onder het voorbehoud in sectie 42021N/A
40797198Fibrosescores en hart- en vaatziekten, meta-analyse over 19 cohorten; hoge tegenover lage uitkomst OR 1,61 (95%-BI 1,17-2,21), door de auteurs zelf als bewijs van lage zekerheid aangemerkt. De 1.481.875 deelnemers zijn het totaal van de publicatie, de deelanalyse over deze score is kleiner20255
32459305Bloedtest met bindweefselmarkers tegenover deze score en de FIB-4-index bij hiv met hepatitis C, n=147202120
42026963Twee casussen van het enzym gebonden aan een antistof bij chronische hepatitis B, waarvan er één bevestigd werd2026N/A
35180839Deze score bij kinderen met hepatitis B202224
35198928Risicoscores voor leverkanker bij virale hepatitis op basis van machinaal leren202262
35216753Machinaal leren voor het opsporen van gevorderde fibrose202237
25073725Leverbiopt tegenover niet-invasieve tests bij hepatitis C in Egypte201545

Een deel van de regels draagt geen uitspraak in de lopende tekst en staat er als achtergrond bij: die over hart- en vaatziekten, de twee over machinaal leren, die over het leverbiopt naast niet-invasieve tests, die over de indirecte vergelijking van de twee scores op reviewniveau, en het correctiebericht bij de Welshe cohortstudie. Voorspelling buiten de lever blijft in dit artikel bewust buiten beschouwing.

Health Cockpit

Wil je dit toepassen in je eigen praktijk?

Health Cockpit is alles-in-één praktijkmanagement voor moderne gezondheidsondernemers. Bij elk patiëntdossier krijg je dezelfde research-kennis die op deze site staat direct in context bij je labwaardes, DNA-analyse en interventies. Alles op één scherm, in één dossier.

Bekijk Health Cockpit →