Dit artikel komt uit de research-bibliotheek van Health Cockpit, het praktijkmanagement-platform voor functioneel werkende therapeuten.
Verhouding triglyceriden en HDL-cholesterol: Klinische Interpretatie
1. Twee waarden die samen meer zeggen
Op elk lipidenpaneel staan triglyceriden en HDL-cholesterol naast elkaar. HDL en LDL zijn de twee dragerdeeltjes die het cholesterol door het bloed vervoeren. De afkortingen slaan op hun dichtheid, hoog bij HDL en laag bij LDL, in de volksmond het goede en het slechte cholesterol. Die twee waarden staan op het blad naast elkaar, en meestal worden ze los beoordeeld: de triglyceriden tegen hun bovengrens, het HDL tegen zijn ondergrens. Tussen die twee zit informatie die in beide losse waarden verdwijnt.
Hoge triglyceriden samen met een laag HDL vormen namelijk een herkenbaar patroon, en dat patroon hoort bij insulineresistentie en het metabool syndroom. Hun verhouding vat dat in één getal, en zij vertelt bovendien iets over de vorm van de LDL-deeltjes, wat geen enkele standaardbepaling doet.
Dit artikel legt uit waarom die verhouding werkt, welke grenswaarden erbij horen en voor wie zij juist niet opgaat, en het begint met de val waar de meeste fouten vandaan komen: de eenheid waarin je rekent.
2. De eenhedenval
Vrijwel al het onderzoek naar deze verhouding rekent in milligram per deciliter, de eenheid waarin Amerikaanse laboratoria triglyceriden en cholesterol rapporteren. In Nederland en Vlaanderen rapporteren laboratoria in millimol per liter.
Dat verschil telt zwaar, want de omrekenfactor loopt uiteen tussen de twee bestanddelen. Voor triglyceriden is die factor 88,5, voor HDL-cholesterol 38,67. De verhouding die je uit Europese getallen berekent, valt daardoor ongeveer 2,3 keer lager uit dan dezelfde verhouding uit Amerikaanse getallen.
Een grenswaarde van 2,8 uit de literatuur komt dus overeen met ongeveer 1,2 op een Nederlands of Vlaams uitslagblad. Wie dat verschil over het hoofd ziet, stelt een groot deel van zijn cliënten ten onrechte gerust. Reken daarom altijd om naar de eenheid waarin de grenswaarde is opgeschreven, of zeg er uitdrukkelijk bij in welke eenheid je rekent.
| Grenswaarde in de literatuur, milligram per deciliter | Komt overeen met, millimol per liter |
|---|---|
| 2,0 | Ongeveer 0,87 |
| 2,53 | Ongeveer 1,1 |
| 2,8 | Ongeveer 1,2 |
| 3,8 | Ongeveer 1,7 |
| 5,0 | Ongeveer 2,2 |
3. Triglyceriden en de grootte van de LDL-deeltjes
LDL-cholesterol wordt op een uitslagblad als één getal gerapporteerd, maar het cholesterol zit verpakt in deeltjes, en die deeltjes verschillen in grootte. Grote, luchtige deeltjes gaan samen met minder schade dan kleine, dichte deeltjes: die laatste dringen makkelijker de vaatwand binnen, blijven daar langer hangen en oxideren sneller. De huidige opvatting is dat vooral het aántal schadelijke deeltjes telt, en dat de grootte daar een merker van is. Twee mensen met exact dezelfde LDL-waarde kunnen dus een heel verschillend risico hebben.
Wat die verdeling bepaalt, zijn de triglyceriden. Bij een hoog triglyceridengehalte gaat een transporteiwit in het bloed vet uitwisselen tegen cholesterol tussen de verschillende deeltjes. Het LDL raakt daardoor volgeladen met triglyceriden, en een enzym in de lever knipt die deeltjes vervolgens kleiner. Het resultaat is een overwicht aan kleine, dichte deeltjes.
Daaruit volgt de vuistregel. Een hoge verhouding betekent waarschijnlijk veel kleine, dichte deeltjes en een ongunstig profiel. Een lage verhouding betekent waarschijnlijk grote, luchtige deeltjes en een gunstiger profiel. Het is een indirecte maat, en juist daarom zo bruikbaar: zij kost niets extra en staat al op de bon.
4. Grenswaarden, en voor wie zij niet gelden
| Herkomst van de grenswaarde | Grens voor mannen, milligram per deciliter | Grens voor vrouwen, milligram per deciliter |
|---|---|---|
| Klassieke referentie uit Amerikaans onderzoek (PMID 15246907), voor het deeltjesprofiel en niet voor insulineresistentie | 3,8 | 3,8; die studie hanteerde één grens voor mannen en vrouwen |
| Systematisch overzicht over meerdere bevolkingsgroepen (PMID 39062066) | Vanaf 2,8 | Vanaf 2,53 |
| Braziliaanse bevolkingsstudie (PMID 34389285) | Vanaf 2,6 | Vanaf 1,7 |
| Mensen van Afrikaanse afkomst (PMID 20715971) | Vanaf 2,5; de eerdere aanbeveling voor deze groep, van 2,0, ligt te laag | Zie de toelichting onder deze tabel |
| Aziatische bevolkingsgroepen (PMID 39062066) | Vanaf 2,8 | Vanaf 2,53 |
| Kinderen en adolescenten met overgewicht (PMID 30663576) | Vanaf ongeveer 1,36 voor insulineresistentie | Dezelfde grens; die studie splitste niet naar geslacht |
Die verschillen tussen bevolkingsgroepen zitten in de vetstofwisseling zelf en zijn geen risicokenmerk. Bij gelijke insulineresistentie liggen de triglyceriden bij mensen van Afrikaanse afkomst gemiddeld lager, waardoor de verhouding onder de grenswaarde blijft terwijl de resistentie er wel degelijk is (PMID 19732569, met het onderliggende mechanisme in PMID 31623522). Afkomst is hier dus een grove, zelfgerapporteerde benadering van een verschil in de vetstofwisseling.
Bij vrouwen van Afrikaanse afkomst kon de verhouding in een Amerikaans bevolkingsonderzoek onder ruim duizend vrouwen de insulineresistentie niet aanwijzen (PMID 20715971). Gebruik bij hen een maat die de insulineresistentie zelf benadert: de nuchtere insuline met de Homeostasis Model Assessment-berekening (HOMA), of een glucosetolerantietest. Dat rekenmodel schat de insulineresistentie uit de nuchtere glucose en de nuchtere insuline.
Voor wie de verhouding wel opgaat, leest zij zo. Let op de herkomst van de vier banden: de grenzen van 2,8 en 2,53 komen uit het systematisch overzicht hierboven, terwijl de ondergrens van 2,0 en de bovengrens van 5,0 praktijkafspraken zijn die het veld hanteert en die geen eigen studie achter zich hebben. Het oorspronkelijke werk dat deze verhouding als maat voor insulineresistentie op de kaart zette, hanteerde 3,0 in milligram per deciliter, en het vervolgonderzoek van dezelfde groep 3,5 (PMID 14623617, PMID 16054467). Wie die eerste publicatie opzoekt, vindt daar 1,8 als Europese tegenhanger van 3,0, wat niet overeenkomt met de omrekening hierboven; volg in dat geval de omrekening en niet dat getal. Behandel de uiterste banden dus als oriëntatie en niet als drempel:
| Verhouding in milligram per deciliter | Hoe je het leest |
|---|---|
| Onder 2,0 | Laag risico, waarschijnlijk overwegend grote en luchtige deeltjes |
| 2,0 tot 2,8 bij een man, 2,0 tot 2,53 bij een vrouw | Tussenzone; het cardiometabole risico loopt geleidelijk op. Leg er andere waarden naast |
| Boven 2,8 bij een man, boven 2,53 bij een vrouw | Verhoogd risico, waarschijnlijk overwegend kleine en dichte deeltjes |
| Boven 5,0 | Sterk verhoogd risico, en insulineresistentie is dan waarschijnlijk |
5. Wat de verhouding voorspelt
In de algemene bevolking is het verband bescheiden: een meta-analyse over dertien cohorten met ruim tweehonderdduizend deelnemers vond bij het hoogste niveau ruim veertig procent meer hart- en vaatincidenten dan bij het laagste, en na correctie voor vertekening in de gepubliceerde literatuur bleef dat ongeveer een kwart meer (PMID 34953633). De verhouding kwam oorspronkelijk in beeld door een Amerikaans patiëntcontroleonderzoek onder driehonderdveertig mensen met een hartinfarct en evenveel vergelijkbare mensen zonder infarct: juist de verhouding tussen beide waarden bleek daar een sterke voorspeller (PMID 9355888). De sterkste onderbouwing ligt echter bij insulineresistentie. Een systematisch overzicht van tweeëndertig studies met bijna vijftigduizend deelnemers laat zien dat de verhouding goed meeloopt met de HOMA-berekening, bij Europese, Aziatische en Latijns-Amerikaanse bevolkingsgroepen. Datzelfde overzicht meldt dat de verhouding bij mannen beter werkt dan bij vrouwen, en dat de genoemde grenzen gemiddelden zijn waarvoor nog verfijning nodig is.
Daarnaast hangt een hoge verhouding samen met een dikkere vaatwand in de halsslagader en met nieuwe hart- en vaatincidenten (PMID 38142802), en in de Braziliaanse bevolkingsstudie ook met het metabool syndroom (PMID 34389285). Bij mensen met leververvetting voorspelt zij hart- en vaatincidenten, al blijft het onderscheidend vermogen daar zwak en is dat in één cohort onderzocht.
Voor de praktijk betekent dat het volgende. Deze verhouding is sterk als signaal dat de stofwisseling onder druk staat, en zwak als voorspeller van wat er met één individuele cliënt gaat gebeuren. Gebruik haar dus om te besluiten waar je verder kijkt, en niet om iemand een risicopercentage te geven.
6. Betere maten, en wanneer je die aanvraagt
De verhouding is een benadering. Er bestaan bepalingen die het aantal schadelijke deeltjes rechtstreeks meten, en die zijn nauwkeuriger.
| Bepaling | Wat zij meet | Wanneer zij nuttig is |
|---|---|---|
| Verhouding triglyceriden en HDL | Benadering van het aandeel kleine, dichte deeltjes | Altijd; zij kost niets extra |
| Apolipoproteïne B | Het aantal schadelijke deeltjes, allemaal samen | De betere maat voor hart- en vaatrisico; de Europese cardiologenrichtlijn beveelt haar aan (PMID 31504418) |
| Triglyceriden-glucose-index | Combineert de triglyceriden met de nuchtere glucose | Deze index presteerde in de leververvettingsstudie uit sectie 5 (PMID 38769519) minstens zo goed als deze verhouding voor het opsporen van leververvetting |
| Cholesterol buiten het HDL om | Het totaal cholesterol min het HDL | Een goedkope benadering van het aantal deeltjes, uit een gewoon lipidenpaneel te berekenen |
| Rechtstreeks gemeten deeltjesaantal | Het aantal LDL-deeltjes zelf | De nauwkeurigste maat, maar duur en geen routine |
| Lipoproteïne(a) | Een erfelijk bepaalde, zelfstandige risicofactor | Eén meting per leven volstaat |
Eén situatie verdient bijzondere aandacht. Bij het metabool syndroom en bij diabetes type 2 lopen de LDL-cholesterolwaarde en het aantal schadelijke deeltjes uiteen (PMID 40091449). Iemand kan dan een keurige LDL-waarde hebben en toch veel deeltjes, juist doordat die deeltjes klein zijn en er dus meer nodig zijn om hetzelfde cholesterol te vervoeren. Precies daar is deze verhouding waardevol: zij laat in één getal zien dat dit speelt, en zij is de aanleiding om apolipoproteïne B aan te vragen of te laten aanvragen, afhankelijk van wat in jouw praktijk kan.
7. Wat de uitkomst verstoort
Vergelijk alleen een nuchtere prik met de grenswaarden. Triglyceriden stijgen in de uren na een maaltijd, en juist zij bewegen het sterkst van de twee waarden. Voor een gewoon lipidenprofiel hoeft je cliënt niet nuchter te zijn (PMID 27122601), maar voor déze verhouding wel, want de grenswaarden hierboven komen alle uit nuchtere metingen.
Alcohol tilt de triglyceriden op, en dat gebeurt langs een andere weg dan insulineresistentie. Het HDL stijgt er meestal mee, dus het netto-effect op de verhouding valt wisselend uit. Vraag het gebruik dus uit voor je de uitslag duidt.
Acute ziekte, infectie of ontsteking tilt de triglyceriden op én drukt het HDL omlaag, dus daar loopt de verhouding op om een andere reden dan een blijvende insulineresistentie. Acute ontsteking verlaagt de insulinegevoeligheid trouwens zelf ook (PMID 19794059), wat de uitslag nog moeilijker leesbaar maakt. Wacht met het duiden van de verhouding tot het beeld rustig is.
Een uitgesproken traag werkende schildklier tilt de triglyceriden op en duwt de verhouding dus omhoog. Het HDL blijft daarbij gelijk of stijgt licht, doordat twee eiwitten die het HDL afbouwen trager werken, waardoor de twee effecten elkaar deels opheffen. Van die twee is het HDL-effect het best onderbouwd: behandeling verandert het HDL aantoonbaar, terwijl het effect op de triglyceriden niet boven het toeval uitkwam. Bij de lichte, subklinische vorm ligt het HDL juist lager en duwt dat de verhouding weer omhoog. De verschillen zijn klein en wisselen sterk per persoon, dus bouw er geen conclusie op (PMID 12034052, PMID 32954428).
Erfelijke vetstofwisselingsstoornissen geven extreme waarden die los staan van insulineresistentie. Daar is het klinisch beeld leidend. Lees bij een hoge verhouding daarom altijd de absolute triglyceridenwaarde erbij. Boven ongeveer 11 mmol/L (1.000 mg/dL) telt het risico op een acute alvleesklierontsteking zwaarder dan het deeltjesprofiel; daaronder noemt de literatuur die ontsteking onwaarschijnlijk. Vanaf 5,6 mmol/L geldt de waarde wel als zeer hoog, en dan is verlagen zelf het doel (PMID 30148167). Krijgt je cliënt daarbij buikpijn, dan laat je haar dezelfde dag beoordelen.
Tijdens de zwangerschap stijgen de triglyceriden fysiologisch, waardoor de verhouding onbruikbaar wordt als maat voor insulineresistentie.
Geneesmiddelen werken beide kanten op. Sommige bloeddrukverlagers en plaspillen tillen haar op, terwijl vetverlagende middelen en de moderne middelen tegen diabetes en overgewicht haar verlagen. Loop de medicatielijst dus na voor je de uitslag duidt.
Elk labo meet met zijn eigen methode. Er bestaan verschillende bepalingen voor beide bestanddelen, dus vergelijk alleen uitslagen van hetzelfde labo.
De richtlijnen voeren déze verhouding niet op. De Europese cardiologen- en atheroscleroseverenigingen (PMID 31504418) beoordelen de triglyceriden en het HDL apart, naast apolipoproteïne B, het cholesterol buiten het HDL om en lipoproteïne(a). Deze verhouding blijft een praktisch hulpmiddel dat naar verder onderzoek wijst.
8. Stappenplan
De stappen hieronder lopen van laag naar hoog, en bij elke stap komt er één ding bij in plaats van een heel pakket. Dat is met opzet: deze verhouding is een aanwijzing en geen diagnose, dus zij hoort tot aanvullend onderzoek te leiden en niet tot een conclusie.
| Uitkomst in milligram per deciliter | Hoe je het leest | Wat er volgt |
|---|---|---|
| Onder 2,0 | Gunstig profiel | Deze waarde alleen vraagt geen aanvullend onderzoek |
| 2,0 tot 2,8 bij een man, 2,0 tot 2,53 bij een vrouw | Tussenzone | Leg de buikomvang, de bloeddruk en de langetermijnsuikerwaarde HbA1c ernaast. Herhaal na drie tot zes maanden |
| Boven 2,8 bij een man, boven 2,53 bij een vrouw | Verdenking op insulineresistentie en een ongunstig deeltjesprofiel | Vraag apolipoproteïne B aan of laat het aanvragen, samen met nuchtere glucose en insuline. Denk aan leververvetting en bereken de FIB-4-index, de bloedscore die littekenvorming in de lever inschat |
| Boven 5,0 | Sterke verdenking op het metabool syndroom | Als hierboven, en stem af over het cardiovasculaire risicobeleid. Lees hier de absolute triglyceridenwaarde bij: boven ongeveer 11 mmol/L telt het risico op een acute alvleesklierontsteking zwaarder dan het deeltjesprofiel, en met buikpijn erbij laat je dezelfde dag beoordelen |
9. Wat je hiermee doet bij je cliënt
Bereken deze verhouding bij elk lipidenpaneel dat je onder ogen krijgt. Het kost een deling, en zij ziet dingen die de losse waarden niet laten zien, vooral bij iemand met een normale LDL-waarde en een buikomvang die uit de band loopt.
Reken om, of noteer er uitdrukkelijk bij in welke eenheid je rekent. Dit is het punt waarop deze marker in de praktijk het vaakst misgaat.
Dit is bovendien een van de weinige waarden waarop jouw werk binnen weken zichtbaar wordt. Gewichtsverlies, minder snelle koolhydraten, minder alcohol en meer beweging verlagen bij de meeste mensen de triglyceriden binnen weken, en daarmee de verhouding. Plan een controle na acht tot twaalf weken, bij hetzelfde labo en opnieuw nuchter.
Zie je een hoge verhouding bij een cliënt met een keurige LDL-waarde, laat je dan niet geruststellen door dat tweede getal. Dat is precies de situatie waarin de LDL-waarde het risico onderschat, en de aanleiding om apolipoproteïne B erbij te vragen.
En bij een vrouw van Afrikaanse afkomst laat je deze verhouding los als maat voor insulineresistentie, en kies je de nuchtere insuline of een glucosetolerantietest.
10. Kernbronnen
Research-local pipeline, uitgevoerd op 25 april 2026. Eerste set van 81 artikelen in de map triglyceride-to-hdl-cholesterol-ratio-tghdl-c-ratio-clinical_20260425-1005, aanvullende set van 20 artikelen over de deeltjesgrootte en apolipoproteïne B in de map triglyceride-hdl-ratio-hanak-2004-small-dense-ldl-pattern-b-_20260425-1505. De klassieke grenswaarde gaat terug op het werk van Hanak uit 2004, dat als aparte bron hieronder is toegevoegd. Citatieaantallen zijn een momentopname van 25 april 2026.
| PMID | Titel en cijfers | Jaar | Citaties |
|---|---|---|---|
| 19732569 | Overzichtsartikel; etnische verschillen in triglyceriden en HDL leiden tot onderdiagnose van het metabool syndroom bij zwarte kinderen en volwassenen; de bron onder de verklaring in sectie 4 | 2009 | N/A |
| 31623522 | Het onderliggende mechanisme achter die lagere triglyceriden, in verband met deeltjesgrootte en buikvet; onderzocht bij vrouwen | 2020 | N/A |
| 15246907 | Het oorspronkelijke Amerikaanse onderzoek, n=658; toetste een grens van 3,8 en vond die betrouwbaar voor het voorspellen van het deeltjesprofiel bij mannen én vrouwen. Let op: die studie voorspelt de deeltjesgrootte en niet de insulineresistentie | 2004 | N/A |
| 30148167 | Overzichtsartikel over de acute alvleesklierontsteking door sterk verhoogde triglyceriden; het risico en de ernst lopen op naarmate de waarde hoger is, en onder 1.000 mg/dL (ongeveer 11 mmol/L) noemt de literatuur die ontsteking onwaarschijnlijk | 2018 | 148 |
| 31504418 | Europese richtlijn over vetstofwisselingsstoornissen, 2019; beveelt apolipoproteïne B aan en voert deze verhouding niet op als formele risicomarker | 2020 | N/A |
| 39062066 | Systematisch overzicht van de verhouding als maat voor insulineresistentie, 32 studies, n=49.782; grens vanaf 2,8 voor mannen en 2,53 voor vrouwen, met het etnische verschil benoemd en met de opmerking dat zij bij mannen beter werkt dan bij vrouwen | 2024 | 68 |
| 20715971 | Amerikaans bevolkingsonderzoek onder deelnemers van Afrikaanse afkomst, n=1.903; bij vrouwen werkt de verhouding niet als maat voor insulineresistentie, bij mannen moet de grens omhoog van de 2,0 die voor deze groep werd aanbevolen naar 2,5 | 2010 | 66 |
| 34389285 | Braziliaanse bevolkingsstudie, referentiewaarden uit een gezonde deelgroep van n=2.472, getoetst in n=13.245; bij zwarte deelnemers lagen de waarden lager dan bij de andere groepen, terwijl de auteurs hun grenzen per geslacht wel bruikbaar noemen voor alle etnische groepen | 2021 | 27 |
| 38769519 | Lipidenmaten voor insulineresistentie en hart- en vaatziekten bij leververvetting; voorspelt hart- en vaatincidenten zwak, onderscheidend vermogen 0,614, vergelijkbaar met vier andere maten in dezelfde studie, de HOMA-berekening met 0,572 inbegrepen; geen van de vijf verschilde significant van de andere. Voor het opsporen van de leververvetting zelf presteerde de HOMA-berekening beter, onderscheidend vermogen 0,792 tegenover 0,721. De auteurs vragen om validatie in grotere cohorten | 2024 | 44 |
| 40091449 | Systematische review van 9 studies over het uiteenlopen van de cholesterolwaarde en het aantal deeltjes | 2025 | 8 |
| 14623617 | Het oorspronkelijke werk dat deze verhouding als eenvoudige maat voor insulineresistentie voorstelde, n=258 met overgewicht; grens 3,0 in milligram per deciliter, door de auteurs zelf omgerekend naar 1,8 in Europese eenheden | 2003 | N/A |
| 16054467 | Vervolg van datzelfde onderzoeksteam over het herkennen van insulineresistentie met eenvoudige bloedwaarden | 2005 | N/A |
| 9355888 | Patiëntcontroleonderzoek naar nuchtere triglyceriden, HDL en het risico op een hartinfarct, 340 gevallen en 340 gematchte controles; het hoogste kwart van de verhouding had een relatief risico van 16,0 tegenover het laagste kwart. De studie die deze twee waarden als koppel op de kaart zette | 1997 | N/A |
| 27122601 | Europese consensus dat een gewoon lipidenprofiel niet routinematig nuchter hoeft te worden geprikt | 2016 | N/A |
| 19794059 | Experiment bij gezonde vrijwilligers; een kortdurende ontstekingsprikkel gaf ontsteking in het vetweefsel en verminderde insulinegevoeligheid | 2010 | N/A |
| 34953633 | Meta-analyse over deze verhouding en hart- en vaatincidenten in de algemene bevolking, 13 cohorten met 207.515 deelnemers; het hoogste tegenover het laagste niveau gaf ruim veertig procent meer incidenten, en na correctie voor vertekening in de gepubliceerde literatuur ongeveer een kwart meer | 2022 | N/A |
| 12034052 | Overzichtsartikel over schildklierziekte en vetten in het bloed; bij een uitgesproken trage schildklier is het HDL normaal of juist verhoogd, doordat twee eiwitten die het HDL afbouwen trager werken | 2002 | N/A |
| 32954428 | Systematisch overzicht met meta-analyse over behandeling van schildklierstoornissen en de vetten in het bloed; behandeling van een uitgesproken trage schildklier verlaagt het HDL | 2020 | N/A |
| 38142802 | De verhouding en de lipoproteïne-score voor insulineresistentie, in verband met vaatwanddikte en met nieuwe hart- en vaatincidenten | 2024 | 16 |
| 30663576 | De verhouding als maat voor insulineresistentie bij 90 Egyptische kinderen met overgewicht of obesitas; grens vanaf 1,36, die 85,7 procent van de gevallen oppikte en 66,7 procent van de niet-gevallen correct uitsloot | 2019 | 59 |
| 26416207 | De verhouding tegenover de HOMA-berekening bij Chinese kinderen met obesitas | 2015 | 60 |
| 35175162 | Vier vervangende maten voor insulineresistentie vergeleken bij mensen van middelbare leeftijd in China | 2022 | 64 |
| 27471037 | De SPISE-maat, een verfijning die ook de lichaamsbouw meeneemt; grens onder 6,61, gevalideerd bij witte adolescenten en volwassenen | 2016 | 111 |
| 34934668 | De verhouding bij mensen met prediabetes | 2021 | 47 |
| 28597452 | De verhouding en het beeld van hoge triglyceriden met een grote buikomvang | 2017 | 60 |
| 40289348 | Lipoproteïnen met apolipoproteïne B en het risico op kransslagaderziekte | 2025 | 22 |
| 37480052 | De verhouding tussen LDL-cholesterol en apolipoproteïne B en de sterfte aan hart- en vaatziekten | 2023 | 14 |
| 37815053 | Kenmerken van lipoproteïnen in de Britse biobank, ongeveer 90.000 deelnemers | 2023 | 15 |
| 39662503 | De structuur van apolipoproteïne B100 | 2025 | 29 |
Negen regels dragen geen uitspraak in de lopende tekst en staan er als achtergrond bij het onderwerp: vier studies bij andere groepen en bevolkingen (Chinese kinderen, een Chinees cohort van middelbare leeftijd, mensen met prediabetes en de Britse biobank), twee varianten op de verhouding zelf (de SPISE-maat en de combinatie met een grote buikomvang) en drie studies over apolipoproteïne B.