Onderdeel van Health Cockpit, praktijkmanagement voor moderne gezondheidsondernemers. Ontdek het platform →

← Peptiden-overzicht

Health Cockpit Research

Onderdeel van het Peptiden-cluster van Health Cockpit, het praktijkmanagement-platform voor functioneel werkende therapeuten.

Larazotide en de darmbarrière: tight junctions, zonuline en meetproblematiek

Larazotide is binnen dit peptidecluster bijzonder omdat het specifiek werd ontwikkeld rond regulatie van de darmbarrière en vervolgens in meerdere gerandomiseerde studies bij coeliakie werd onderzocht.

De resultaten zijn niet eenvoudig positief of negatief. Symptomen en bepaalde immunologische uitkomsten verbeterden, terwijl het directe effect op darmpermeabiliteit met de gebruikte meetmethode niet betrouwbaar kon worden vastgesteld.

Wat is larazotide?

Larazotide, oorspronkelijk AT-1001 genoemd, is een kort peptide dat is afgeleid van onderzoek naar zonula-occludens-toxine van Vibrio cholerae.

Het middel is ontwikkeld als regulator van paracellulaire permeabiliteit, de doorgang tussen darmepitheelcellen via de tight junctions.

In de literatuur wordt het mechanisme vaak gekoppeld aan zonuline.

Daarbij is een belangrijke nuance nodig.

De identiteit van wat met commerciële “zonulinetesten” wordt gemeten is onderwerp van discussie. Een veelgebruikte commerciële ELISA bleek niet de veronderstelde precursor van zonuline te detecteren, maar reageerde onder meer met properdine (PMID 29459849).

Dat maakt commerciële zonulinewaarden problematisch als directe maat voor de functionele toestand van de darmbarrière.

Het voorgestelde aangrijpingspunt van larazotide De paracellulaire route: tussen de darmcellen door, afgedicht door tight junctions. DARMHOLTE voedingsresten, gluten, bacteriële producten Epitheelcel route dóór de cel heen Epitheelcel met selectieve transporters TJ tight junction occludine, claudines, ZO-1 BLOEDBAAN wat de barrière passeert komt hier terecht Zonuline opent de junction vanuit de darmholte Larazotide voorgesteld mechanisme: gaat die opening tegen De meting lactulose-mannitolratio bleek te variabel om het effect vast te stellen

Wat lieten de klinische studies zien?

In een proof-of-conceptstudie uit 2007 werd bij coeliakiepatiënten een glutenprovocatie uitgevoerd. De gemeten permeabiliteit nam in de placebogroep toe, terwijl die stijging onder larazotide niet werd gezien (PMID 17697209).

In een dosisstudie uit 2012 met 86 patiënten bleek de gebruikte lactulose-mannitoltest echter zo variabel dat zelfs het verwachte effect van de glutenprovocatie op de meting onvoldoende betrouwbaar kon worden vastgesteld. De klinische symptomen reageerden bij enkele lagere doses gunstiger (PMID 22825365).

Een gerandomiseerde glutenprovocatiestudie uit 2013 vond vervolgens een aanzienlijk kleinere stijging van anti-tTG-antistoffen onder larazotide dan onder placebo (PMID 23163616).

In 2015 volgde de grootste afzonderlijke studie, met 342 patiënten die ondanks een glutenvrij dieet klachten bleven houden (PMID 25683116).

De dosis van 0,5 mg verbeterde het primaire symptoom-eindpunt significant tegenover placebo. Ook bepaalde exploratieve uitkomsten, waaronder het aantal symptomatische dagen, buikpijn, hoofdpijn en vermoeidheid, verbeterden.

De doseringen van 1 en 2 mg verschilden daarentegen niet significant van placebo.

Een meta-analyse van vier gerandomiseerde studies met samen 626 patiënten vond geen significant verschil in de gepoolde lactulose-mannitolratio (PMID 34339872).

Betekent het negatieve permeabiliteitseindpunt dat larazotide de darmbarrière niet beïnvloedt?

Dat kan uit deze gegevens niet worden geconcludeerd.

De moeilijkheid is dat de studies zelf problemen rapporteerden met de betrouwbaarheid van de permeabiliteitsmeting.

In één studie was de variabiliteit zo groot dat de test zelfs niet betrouwbaar registreerde dat een glutenprovocatie de permeabiliteit verhoogde, terwijl de klinische klachten duidelijk toenamen.

Wanneer een meetinstrument de bekende experimentele prikkel onvoldoende detecteert, kan een nulresultaat voor het geneesmiddel niet zonder meer als bewijs voor afwezigheid van een biologisch effect worden beschouwd.

Het correcte antwoord is daarom dat een effect van larazotide op de humane darmpermeabiliteit met deze gegevens niet overtuigend is aangetoond, maar evenmin betrouwbaar is uitgesloten.

Immunologische respons

In een glutenprovocatiestudie nam anti-tTG-IgA in de placebogroep ongeveer negentienvoudig toe ten opzichte van de uitgangswaarde.

De stijging bedroeg:

Dit is een objectieve immunologische uitkomst.

Het toont echter niet rechtstreeks dat het effect noodzakelijk via een verandering in darmpermeabiliteit tot stand kwam.

De niet-monotone dosis-respons

In meerdere studies presteerden lagere doses beter dan hogere doses.

In de studie met aanhoudende symptomen werkte 0,5 mg, terwijl 1 en 2 mg geen significant voordeel boden.

Ook in de glutenprovocatiestudie was de respons niet eenvoudig lineair met de dosis.

Dat is een belangrijke beperking bij de interpretatie en vraagt mechanistische verklaring en replicatie. Een niet-monotone dosis-respons kan bij biologische systemen voorkomen en is op zichzelf geen bewijs tegen werkzaamheid, maar zij maakt een eenvoudige dosis-effectrelatie minder aannemelijk.

Wat betekent dit voor het meten van darmpermeabiliteit?

De studies zijn minstens even relevant voor de beoordeling van de test als voor de beoordeling van larazotide.

Wanneer een lactulose-mannitoltest in een gecontroleerde provocatiestudie onvoldoende reproduceerbaar is om het effect van gluten overtuigend te meten, moet grote voorzichtigheid worden gebruikt bij het interpreteren van kleine veranderingen bij één individuele patiënt.

Dat betekent niet dat intestinale permeabiliteit geen biologisch relevant verschijnsel is.

Het betekent dat een biologisch concept en de kwaliteit van de test waarmee men het probeert te meten twee verschillende vragen zijn.

Kernpunten

Larazotide werd daadwerkelijk in gerandomiseerde studies onderzocht bij coeliakie.

De gepoolde lactulose-mannitolratio verschilde niet significant van placebo, maar de betrouwbaarheid van die maat was onvoldoende.

De dosis van 0,5 mg verminderde in de grootste studie de symptomen ten opzichte van placebo.

Onder glutenprovocatie was ook de stijging van anti-tTG-IgA kleiner.

De niet-monotone dosis-respons is nog onvoldoende verklaard en vraagt voorzichtigheid bij de interpretatie.

Commerciële zonulinewaarden en individuele lactulose-mannitoltests mogen niet zonder meer worden beschouwd als nauwkeurige kwantitatieve maat van “leaky gut”.

Verwante artikelen

Kernbronnen

Health Cockpit

Wil je dit toepassen in je eigen praktijk?

Health Cockpit is alles-in-één praktijkmanagement voor moderne gezondheidsondernemers. Bij elk patiëntdossier krijg je dezelfde research-kennis die op deze site staat direct in context bij je labwaardes, DNA-analyse en interventies. Geen aparte tabbladen, geen losse documenten.

Bekijk Health Cockpit →