Onderdeel van het Omega 3 en visolie-cluster van Health Cockpit, het praktijkmanagement-platform voor functioneel werkende therapeuten.
De omega 3-index als biomarker
De omega 3-index meet hoeveel procent van de vetzuren in het wandje van je rode bloedcellen uit EPA en DHA bestaat. Rode bloedcellen leven een paar maanden, dus die waarde zegt iets over de afgelopen maanden en niet over wat je gisteren at. Dat maakt hem stabieler dan een gewone bloedwaarde.
De grenzen die je overal ziet zijn: onder 4% hoort bij een hoger risico op hartziekte, tussen 8 en 12% bij een lager risico (PMID 28511049). Die grenzen komen uit observationeel onderzoek. Het zijn voorstellen, geen vastgestelde behandelgrenzen.
De vraag die telt voor de praktijk: kan je met deze test bepalen wie baat heeft bij suppletie? Het antwoord verschilt per gebruik.
Wat de index wél voorspelt
Onderzoekers gebruiken de index vooral als risicomarker voor hartziekte. Ze vergelijken mensen die van nature laag of hoog zitten en kijken wie later ziek wordt. Dat kan een verband aantonen, maar het bewijst niet dat jouw index omhoog brengen met een capsule je risico verlaagt. Dat is een cruciaal verschil.
In tien grote cohorten lag de gemiddelde index rond 6% (PMID 28511049); dat percentage is het aandeel EPA en DHA in de rode bloedcellen. Mensen die daar ruim twee procentpunten boven zaten, hadden tijdens de jaren die volgden ongeveer 15% minder kans om aan coronaire hartziekte te overlijden. Die 15% is een verschil in risico en geen indexwaarde, dus de twee soorten percentages lopen hier door elkaar. De vaak genoemde grenzen van 4% en 8% zijn wel weer indexwaarden: ze vallen ongeveer samen met de laagste en de hoogste groep in die cohorten, en het verschil tussen die twee uitersten hoort bij ongeveer 30% minder risico.
Maar mensen met een hoge index eten ook vaker vis, bewegen vaak meer en roken vaak minder. Dat verschil kan dus net zo goed dáárvan komen. Alleen een trial waarin je de index doelgericht omhoog brengt en vervolgens telt wie ziek wordt, kan uitwijzen of de verhoging zelf beschermt. Die trial is er niet.
De ontwikkelaar van de test en het commerciële belang
William Harris ontwikkelde de omega 3-index, en staat ook als eerste auteur op de cohortanalyse waar de grenzen op rusten en op het overzichtsartikel dat de maat verdedigt. Die naam is verbonden aan OmegaQuant Analytics, het bedrijf dat de test verkoopt.
Dat maakt het onderzoek niet automatisch onjuist. Het betekent wel dat vrijwel al het bewijs met harde uitkomsten uit één hoek komt, en die hoek heeft een commercieel belang bij de test. Dat hoort bij de weging.
De index beweegt netjes mee met wat je eet
In een gerandomiseerde trial (PMID 41082976) kregen veertig gezonde jongvolwassenen met weinig visinname en een index onder 6% acht weken lang ofwel twee porties vis per week, ofwel 700 mg EPA plus DHA per dag, of geen van beide.
- Twee porties vis per week: de index steeg met ruim 2 procentpunten.
- Dagelijks 700 mg uit een capsule: vrijwel hetzelfde, iets meer dan 2 procentpunten.
- Beide verhoogden de omega 3 in de rode bloedcellen en verlaagden de omega 6.
Twee porties vis per week doen dus ongeveer hetzelfde als een dagelijkse capsule. Dat is een bruikbaar gegeven voor een gesprek met een cliënt.
Wat er in die acht weken níet gebeurde: de bloedvetten en de ontstekingswaarde veranderden niet. De index reageert dus sneller dan de dingen waar het uiteindelijk om gaat. De studie werd mede gefinancierd door Epax, een producent van omega 3-grondstoffen.
Wat de hoogte van de index bepaalt, en hoe nauwkeurig de meting is
De index is over maanden redelijk stabiel, maar wel gevoelig voor wat iemand eet. In het grootste onderzoek ernaar, bij ruim 117.000 mensen uit de UK Biobank (PMID 36210531), waren vette vis en visoliesupplementen de sterkste voorspellers. Tegelijk verklaarden alle onderzochte factoren samen maar een vijfde van de verschillen tussen mensen, dus de rest blijft onverklaard. In dat onderzoek is de index overigens niet rechtstreeks gemeten maar geschat uit een andere bloedwaarde. Die schatting benadert de echte index redelijk, maar niet meer dan dat. Dat weegt zwaarder dan het lijkt, want het hele beslisbereik is maar vier procentpunten breed: van 4% aan de onderkant tot 8% aan de bovenkant. Een schommeling van een halve procentpunt is daarin geen detail.
Waar de index niets voorspelt
Een overzichtsartikel van de ontwikkelaars (PMID 39514368) brengt een hogere index met een lange lijst aandoeningen in verband. Een maat die met vrijwel alles samenhangt, is daarmee nog geen oorzaak van iets. Datzelfde patroon past net zo goed bij mensen die simpelweg gezonder leven.
Prostaatkanker. Bij ruim 5.600 mannen tussen 40 en 80 jaar, gemiddeld vijf jaar gevolgd (PMID 33530576), had de index geen enkel verband met het krijgen van prostaatkanker, en een bijgewerkte bundeling van tien studies evenmin. Dat neemt een oudere zorg weg, en het laat tegelijk zien dat de index niet met álles samenhangt. Harris is co-auteur en zijn bedrijf deed de metingen, dus ook dit is geen volledig onafhankelijke toets.
Een onafhankelijk cohort met harde uitkomsten. Bij 572 opeenvolgende patiënten die met pijn op de borst werden opgenomen in een ziekenhuis in het noorden van Argentinië, waar overwegend rundvlees wordt gegeten (PMID 23127172), werd de index bepaald en werden ze vijf jaar gevolgd. Honderd van hen overleden. De index voorspelde niets: hoog of laag, de uitkomsten waren gelijk. De mediane index lag daar op 3,6%.
Dat laatste is belangrijk en makkelijk te missen. In een bevolking waar vrijwel iedereen laag zit, werkt de index niet meer als onderscheidende maat. Er is dan geen hoge groep om mee te vergelijken.
Kan je hem gebruiken om te beslissen over suppletie?
Voor het inschatten van hartrisico: bruikbaar, met de grenzen 4 en 8 (PMID 28511049). Hij staat niet in de gangbare risicomodellen en vervangt die ook niet.
Voor de vraag of déze persoon baat heeft bij suppletie: daar is de index geen beslisregel voor. En dat is precies waar hij in de praktijk meestal voor wordt ingezet.
De reden is concreet. De twee plekken waar de uitgangswaarde aantoonbaar uitmaakte, vroeggeboorte en ADHD bij kinderen, gebruikten allebei een ándere test met een andere grens dan deze index. Een afgesproken test met een afgesproken grens ontbreekt dus voor de vraag “heeft deze persoon hier iets aan”.
Eén trial selecteerde wel vooraf op een index onder 4%, bij droge ogen, en zag de klachten verbeteren (PMID 41817560). Die verbetering is binnen de behandelde groep gemeten en niet tegen een placebo, en de dosis lag daar ongeveer vier keer hoger dan in de grote trials. Dat is te weinig om op te bouwen.
Wat je hiermee doet
- Als risicomaat voor het hart is hij bruikbaar, als aanvulling en niet als vervanging van de gebruikelijke inschatting.
- Als test om te beslissen wie moet suppleren is hij niet gevalideerd. Wie hem daarvoor verkoopt, gaat verder dan het bewijs.
- Twee porties vis per week doen ongeveer hetzelfde als een dagelijkse capsule van 700 mg.
- Reken op maanden, niet op weken, als je een verandering wil zien.
Zie Dosering voor het bereik per uitkomst, ADHD, autisme en psychose voor de uitgangswaarde-hypothese, en Zwangerschap en neonataal voor dezelfde vraag bij vroeggeboorte.
De genoemde doses zijn de doses die de betreffende trials gebruikten, in hun eigen populatie en context. Lees ze als onderzoeksgegevens, niet als doseringsadvies.
Kernbronnen
- PMID 28511049 — Harris WS, Del Gobbo L, Tintle NL. The Omega-3 Index and relative risk for coronary heart disease mortality: estimation from 10 cohort studies. Atherosclerosis. 2017. Gemiddelde index 6,1% (SD 2,1%); fatale coronaire hartziekte HR 0,85 per standaarddeviatie (95% BI 0,80 tot 0,91); mediaan laagste kwintiel 4,2%, hoogste 8,3%; geschatte risicoreductie van 4% naar 8% circa 30%
- PMID 41082976 — McMullan JE, et al. Influence of Fish Consumption and omega-3 Supplementation on the omega-3 Index of Young Adults (YouFish Study). J Nutr. 2025. 40 deelnemers van 18 tot 30 jaar, 8 weken; twee visporties per week +2,27 procentpunt, 700 mg/dag +2,03 procentpunt; “There were no significant effects on blood lipids or hs-CRP.” Mede gefinancierd door Epax
- PMID 39514368 — Harris WS. Recent studies confirm the utility of the omega-3 index. Curr Opin Clin Nutr Metab Care. 2025. Narratief overzichtsartikel vanuit het Fatty Acid Research Institute; brengt een hogere index met uiteenlopende aandoeningen in verband
- PMID 36210531 — Schuchardt JP, Tintle N, Westra J, Harris WS. Estimation and predictors of the Omega-3 Index in the UK Biobank. Br J Nutr. 2023. 117.108 deelnemers, gemiddelde geschatte index 5,58% (SD 2,35%); sterkste voorspellers in volgorde: vette vis, visoliesupplementen, vrouwelijk geslacht, hogere leeftijd, alcoholgebruik, en omgekeerd roken, hogere buikomvang en BMI, lagere opleiding; alle onderzochte voorspellers samen verklaren 20,5% van de spreiding, waarvan vette vis 7,0%. Ook deze groep is verbonden aan het Fatty Acid Research Institute
- PMID 33530576 — Farrell SW, et al. Association of the Omega-3 Index with Incident Prostate Cancer with Updated Meta-Analysis. Nutrients. 2021. 5.607 mannen van 40 tot 80 jaar, gemiddeld 5 jaar; HR 0,98 per procentpunt (95% BI 0,89 tot 1,07; p = 0,25); metingen door OmegaQuant
- PMID 41817560 — Gupta K, et al. Omega-3 fatty acids and tear cytokines modulation in dry eye patients with low omega-3 index. Indian J Ophthalmol. 2026. 102 patiënten voorgeselecteerd op een index onder 4%, circa 4 g/dag gedurende 6 maanden; verbeteringen getoetst binnen de omega 3-groep, niet tegen placebo
- PMID 23127172 — de la Fuente RL, et al. Omega-3 index and prognosis in acute coronary chest pain patients with a low dietary intake of omega-3. Scand Cardiovasc J. 2013. 572 opeenvolgende patiënten, 5 jaar follow-up, 100 sterfgevallen; gebeurtenissen gelijk over alle kwartielen; mediane index 3,6%