Onderdeel van het Omega 3 en visolie-cluster van Health Cockpit, het praktijkmanagement-platform voor functioneel werkende therapeuten.
Stemming en angst: depressie, angstklachten en de postnatale periode
De vraag “helpt omega 3 bij depressie” heeft geen antwoord, omdat het vier verschillende vragen zijn die door elkaar lopen. Helpt het iemand die nu depressief is en al een antidepressivum slikt? Helpt het als enige behandeling? Voorkomt het dat een gezond iemand depressief wordt? Voorkomt het terugval bij iemand die hersteld is? De studies geven op die vier vragen verschillende antwoorden. Wie ze op één hoop gooit, middelt een groep waar het werkt met een groep waar het niet werkt, en houdt een getal over dat op geen van beide slaat.
Er is nog een tweede scheidslijn, en die is minstens zo belangrijk. Visolie bevat twee vetzuren: EPA en DHA. Bij depressie doen die twee niet hetzelfde. De gunstige resultaten komen vrijwel allemaal uit producten waarin EPA het grootste deel vormt. Producten met vooral DHA laten niets zien. Dit hoofdstuk begint daar, omdat het de rest verklaart.
EPA of DHA: dat is niet hetzelfde supplement
Vier onafhankelijke onderzoeksgroepen keken of de verhouding tussen EPA en DHA uitmaakte. Alle vier kwamen op hetzelfde uit: EPA doet iets, DHA niet. Over de beste hoeveelheid zijn ze het onderling oneens.
| Bron | Waarop gebaseerd | Welke verhouding | Welke hoeveelheid |
|---|---|---|---|
| Sublette 2011 (PMID 21939614) | 15 trials, 916 deelnemers | EPA minstens 60% van het totaal | 200 tot 2.200 mg EPA per dag |
| Liao 2019 (PMID 31383846) | 26 studies, 2.160 deelnemers | EPA minstens 60%, of alleen EPA | hoogstens 1 gram EPA per dag |
| Kong 2025 (PMID 40049535) | 36 studies | tussen 1 en 2 keer zoveel EPA als DHA | 1.000 tot 1.500 mg totaal, minstens 8 weken |
| De richtlijn uit 2019 van de International Society for Nutritional Psychiatry Research (ISNPR), een internationale vakgroep voedingspsychiatrie (PMID 31480057) | consensus van experts | alleen EPA, of meer dan 2 keer zoveel EPA als DHA | 1 tot 2 gram zuivere EPA per dag |
De scherpste bevinding komt van Sublette (PMID 21939614). Zij zagen een duidelijk effect in de groep waar EPA minstens 60% van het totaal uitmaakte, en geen aantoonbaar effect in de groep daaronder. Twee kanttekeningen die je erbij moet houden: die twee groepen zijn nooit formeel tegen elkaar getoetst, en de grens van 60% is door de onderzoekers gekozen en volgt niet uit de gegevens. Hun eigen samenvatting: preparaten met minder dan 60% EPA deden niets. Een latere analyse vond hetzelfde patroon: winst bij zuivere EPA en bij EPA-dominante producten, niets bij DHA-dominante producten (PMID 31383846).
Die 60% is wel een vergelijking tússen studies, geen gemeten grens in één mens. Het is dus niet zo dat 59% aantoonbaar niets doet en 61% wel. Wat je eruit meeneemt is iets grovers en bruikbaarders: het woord “omega 3” zegt hier te weinig. Pas met de verhouding erbij weet je waar je naar kijkt.
Waarom dit op het etiket vaak misgaat. Een capsule van 1.000 milligram visolie bevat geen 1.000 milligram EPA plus DHA. Een gangbare capsule zit rond 180 mg EPA en 120 mg DHA. Op de verhouding scoort zo’n capsule prima, dat is precies 60% EPA. Het knelpunt is de hoeveelheid: voor 1 gram EPA heb je er vijf à zes nodig, voor 2 gram elf. Reken dus altijd op de EPA-regel achterop, nooit op het getal op de voorkant. Die rekensom komt uit de gangbare productsamenstelling en staat niet in de studies zelf.
Bij iemand die nu depressief is
Vier grote analyses hebben dit doorgerekend. Ze komen alle vier op een klein effect uit, in dezelfde richting: mensen die omega 3 kregen scoorden na afloop iets lager op de depressievragenlijst dan mensen die een placebo kregen.
| Bron | Waarop gebaseerd |
|---|---|
| Cochrane 2021 (PMID 34817851) | 34 studies, 1.924 deelnemers |
| Mocking 2016 (PMID 26978738) | 13 studies, 1.233 deelnemers |
| Liao 2019 (PMID 31383846) | 26 studies, 2.160 deelnemers |
| Kong 2025 (PMID 40049535) | 36 studies |
Cochrane heeft de moeite genomen om dat effect om te rekenen naar iets wat je kan plaatsen: ongeveer tweeënhalf punt op de Hamilton-depressieschaal. Op diezelfde schaal geldt drie punten als de ondergrens van wat een patiënt zelf merkt. Het gemiddelde blijft daar net onder, maar de marge loopt van één tot vier punten en omvat die drempel dus. Cochrane schrijft er zelf bij dat hun cijfers zowel een klinisch belangrijk effect als een verwaarloosbaar effect openlaten, en dat de schatting mogelijk naar de gunstige kant vertekend is. Hun conclusie: dit effect is waarschijnlijk niet groot genoeg om voor een patiënt iets te betekenen. En op de uitkomsten die er echt toe doen, hoeveel mensen opknappen en hoeveel klachtenvrij worden, vonden ze geen bewijs voor een verschil. Dat is iets anders dan aangetoond geen verschil: de marges laten allebei nog een echte winst open. Kong komt tot hetzelfde beeld, met dezelfde brede marges.
Die vier analyses bevestigen elkaar niet, ze hergebruiken elkaar. Ze rekenen grotendeels met dezelfde onderliggende trials. De dertien studies van Mocking zitten vrijwel zeker allemaal in de vierendertig van Cochrane, en Kong en Liao putten uit dezelfde stapel. Dat ze dezelfde kant op wijzen is dus geen onafhankelijke bevestiging, het is vier keer dezelfde bewijsbasis met andere insluitregels. Behandel het als één bevinding, niet als vier.
Wat wél elke keer terugkomt, in alle vier, is de hoeveelheid EPA. Meer EPA, meer effect. Dat is het enige dat de analyses onderling echt delen.
Eén analyse wijkt zo ver af dat je hem apart moet leggen. Een netwerkanalyse van 192 trials met ruim 17.000 patiënten (PMID 40314175) komt op een effect dat ruim twee keer zo groot is als alle andere. Drie dingen maken dat moeilijk te geloven. Dezelfde analyse zet omega 3 alléén boven een antidepressivum, terwijl de richtlijnen daar juist geen richting in durven kiezen. Er bestaat volgens diezelfde analyse maar één trial die omega 3 rechtstreeks tegen een antidepressivum zette, met veertig deelnemers, en die kon niets aantonen. En iets wat je bovenop een werkend medicijn geeft, levert normaal minder extra op dan dat medicijn zelf, niet bijna twee keer zoveel. Dat laatste is redeneren, geen berekening, maar het is wel de reden om deze uitschieter niet mee te wegen.
Wat de richtlijnen ermee doen
Een gezamenlijke werkgroep van de World Federation of Societies of Biological Psychiatry (WFSBP) en het Canadese netwerk voor stemmingsstoornissen beoordeelde omega 3 bij depressie (PMID 35311615). Hun oordeel valt in tweeën uiteen.
- Naast een reguliere behandeling: aanbevolen, de hoogste categorie die ze kennen. Omega 3 is het enige voedingsmiddel dat voor depressie zo hoog staat.
- Als vervanging van een reguliere behandeling: niet aanbevolen.
Die tweede categorie betekent iets specifieks, en het is geen waarschuwing. Hun schaal kent vijf treden, en de echt afradende trede daaronder bevat foliumzuur, vitamine C, inositol en magnesium. Omega 3 staat daar niet in. “Niet aanbevolen” betekent hier: de studies lopen te ver uiteen om een richting te kiezen. Kortom: naast de behandeling die er al is, niet in plaats daarvan.
Waarom de richtlijn en Cochrane elkaar lijken tegen te spreken. Ze beantwoorden verschillende vragen. De richtlijn vraagt: is er genoeg reden om dit te overwegen? Cochrane vraagt: hoe zeker weten we hoe groot het effect is? Bij veel kleine, wisselende studies kan het antwoord op de eerste vraag “ja, voorzichtig” zijn terwijl het antwoord op de tweede “we weten het eigenlijk niet” is. Daar komt bij dat de richtlijn literatuur tot 2019 gebruikte en de Cochrane-review van 2021 dus niet kende.
De richtlijnen komen niet uit onafhankelijke hoeken. Jerome Sarris schreef mee aan beide. Kuan-Pin Su zit in de tweede richtlijn én in het overzichtsartikel over de ontstekingsgroep verderop. Dat is één kring van specialisten die elkaar citeert. De expertgroep achter de ISNPR-richtlijn schrijft zelf op dat haar leden een bijzondere belangstelling voor omega 3 hadden.
Er ligt ook gepubliceerde kritiek op die ISNPR-richtlijn (PMID 31655818), van een groep uit het Amsterdam UMC (universitair medisch centrum). Die kritiek is smal, en dat is eerlijk om te vermelden: ze prijzen de opzet en vallen één aanbeveling aan, namelijk het preventieve gebruik bij risicogroepen. Hun punt is dat dat advies leunt op één enkele trial bij 152 mensen met hepatitis C, over een depressie die door een medicijn werd uitgelokt. De adviezen over behandeling, verhouding en dosis laten ze staan.
Voorkomen bij wie niet depressief is
Hier gaat het duidelijk de andere kant op. De depressietak van de Amerikaanse VITAL-preventietrial (VITAL-DEP, PMID 34932079) is de grootste trial die er is: 18.353 volwassenen van vijftig jaar en ouder zonder depressie, ruim vijf jaar gevolgd, 1 gram visolie per dag tegenover een placebo.
De onderzoekers keken naar twee dingen, en die gaven een gemengd beeld. Er werden iets méér mensen depressief in de omega 3-groep. En tegelijk verschoof de gemiddelde stemmingsscore van de hele groep helemaal niet. Dat kan allebei waar zijn, omdat het eerste nieuwe gevallen telt en het tweede naar iedereen samen kijkt.
Hoe groot is dat “iets meer”? Over ruim vijf jaar komt het neer op ongeveer één extra geval per 120 behandelde mensen. Dat is klein. Het is ook niet weg te wuiven: dit is de best opgezette trial in dit hele hoofdstuk, en het signaal wijst de verkeerde kant op. De auteurs zelf: deze uitkomsten ondersteunen het gebruik van omega 3 bij volwassenen om depressie te voorkomen niet.
MooDFOOD (PMID 30835307) volgde 1.025 mensen met overgewicht en beginnende somberheid een jaar lang en vond niets. Belangrijke kanttekening: de deelnemers kregen een multivitamine waar ook selenium, foliumzuur, vitamine D en calcium in zaten, in plaats van visolie. Deze trial telt dus niet als tweede bewijs over omega 3.
Terugval voorkomen na een doorgemaakte depressie
Dit is een andere vraag, en het enige onderzoek dat er ligt wijst de goede kant op. Negenendertig ouderen die hersteld waren van een depressie kregen een jaar lang 1,2 gram EPA plus 1 gram DHA per dag, of een placebo (PMID 39306009). In de omega 3-groep viel minder dan een derde zoveel mensen terug.
Dat klinkt fors, en dat is het ook, maar het gaat om negenendertig mensen. Bij die aantallen kan één of twee personen het hele beeld kantelen. Dezelfde trial zag geen verschil in depressieve klachten, angstklachten of ontstekingswaarden. De onderzoekers noemen het zelf een aanwijzing, geen bewijs, en daar is weinig op af te dingen.
Kinderen en jongeren
Hier weten we het simpelweg niet, en dat is het eerlijke antwoord.
De Cochrane-review over deze leeftijdsgroep (PMID 39564892) bundelt vijf studies met in totaal 228 jongeren tot negentien jaar met een vastgestelde depressie. Die jongeren gaven zelf aan iets minder klachten te hebben. Maar het verschil was klein, de studies spraken elkaar tegen, en het kan dus net zo goed toeval zijn geweest. De onderzoekers noemen hun eigen bewijs van de laagste kwaliteit die er bestaat. Op de vraag hoeveel jongeren klachtenvrij werden was er geen verschil: de helft in beide groepen. Eén studie zag wel meer spierkrampen bij de visolie: dertien van de zevenentwintig, tegenover zes van de negenentwintig.
De trial die de aanbeveling zelf op de proef stelde. In vijf Zwitserse centra kregen 257 jongeren met een matige tot ernstige depressie 36 weken lang 1,5 gram per dag, in een verhouding van 1 gram EPA op 0,5 gram DHA, bovenop gestructureerde psychotherapie (PMID 41481294). Er kwam niets uit. De klachten, het aantal jongeren dat opknapte en het aantal dat klachtenvrij werd lagen in beide groepen gelijk. En het lag niet aan de inname: hun omega 3-waarde in het bloed steeg meetbaar, dus ze hebben de capsules geslikt.
Deze trial weegt zwaar, want ze testte niet zomaar “omega 3”. Ze testte wat de meta-analyses aanwijzen: EPA-dominant, ruim boven de grens van 60% EPA, als aanvulling op behandeling, bij echte patiënten, met bevestiging in het bloed. De ISNPR-richtlijn vraagt nog iets meer EPA dan deze 2:1-verhouding. Onder die ideale omstandigheden gebeurde er niets.
Bij de bijwerkingen van diezelfde trial: 45 ernstige voorvallen in de omega 3-groep tegenover 31 bij de placebo, waaronder 28 suïcidepogingen verdeeld over beide groepen. Er overleed niemand en geen enkel voorval werd aan de studiemedicatie toegeschreven. De trial was ook niet opgezet om veiligheid te meten, en dit verschil past goed bij toeval. Bij déze doelgroep hoort het toch genoemd te worden.
De groep die er wél baat bij lijkt te hebben
Er loopt één lijn door het onderzoek die consistent positief is: depressie in combinatie met verhoogde ontstekingswaarden.
Bij 61 patiënten met een depressie, overgewicht en een verhoogde CRP, de meest gebruikte ontstekingswaarde in het bloed, werd EPA in drie hoeveelheden getest tegenover placebo (PMID 36635595). In de hoogste groep, 4 gram per dag, knapten meer mensen op dan in de andere groepen. Het aantal deelnemers is te klein om dat hard te maken, en de onderzoekers hebben er zelf geen toets op losgelaten.
In het bloed zagen ze het mechanisme terug. Bij de mensen die opknapten stegen twee stoffen die ontsteking helpen afsluiten, en die stijging liep gelijk op met een daling van zowel de CRP als de depressiescore. Bij de mensen die niet opknapten gebeurde dat niet. Dat is een mechanisme dat past bij het effect, en niet alleen een uitkomst. De analyse rust wel op de 42 mensen die de studie afmaakten, verdeeld over vier groepen, dus het zijn kleine aantallen.
Een overzicht van recentere trials (PMID 39912390) komt tot hetzelfde beeld: hogere EPA-doses werken vooral bij depressie met verhoogde ontstekingswaarden. Kuan-Pin Su schreef aan zowel dit overzicht als de ISNPR-richtlijn mee, dus dit is geen onafhankelijke bevestiging van die richtlijn.
Voor het achterliggende mechanisme, zie Eicosanoïden en pro-resolving mediatoren.
Wat erfelijkheidsonderzoek toevoegt
Er bestaat een methode die erfelijke aanleg gebruikt om iets over oorzaak en gevolg te zeggen. Een samenvatting van dat onderzoek (PMID 42100925) vindt een oorzakelijk verband tussen omega 3-waarden in het bloed en depressie, en tussen een scheve verhouding omega 6 tot omega 3 en een hoger risico.
Wat daar getoetst wordt is een levenslang verschil in bloedwaarde, en dat is iets anders dan het effect van een capsule. De erfelijke variaties die dit onderzoek gebruikt zitten bovendien grotendeels in één genetisch gebied dat tegelijk tientallen andere vetten in het bloed beïnvloedt, dus het effect kan net zo goed via een andere route lopen. Die kanttekening is vakkennis en staat niet in het artikel zelf. De Amsterdamse critici wijzen bovendien op een ander onderzoek van dit type, bij ongeveer een half miljoen mensen, dat geen oorzakelijke rol vond.
Angstklachten
Twee analyses vinden hier wél effect, en ze komen op dezelfde ondergrens uit: ongeveer 2 gram per dag. Daaronder gebeurt er niets, daarboven wel, en het effect is groter bij mensen met een echte angststoornis dan bij mensen met wat spanningsklachten.
| Bron | Waarop gebaseerd | Wat ze vonden |
|---|---|---|
| Su 2018 (PMID 30646157) | 19 trials, 2.240 deelnemers | effect vanaf ongeveer 2 gram per dag, groter bij een gestelde diagnose |
| Bafkar 2024 (PMID 38890670) | 23 trials, 2.189 deelnemers | dezelfde ondergrens, daaronder niets |
Twee kanttekeningen die het wat afzwakken: deze twee analyses rekenen grotendeels met dezelfde studies en delen deels dezelfde onderzoekers, en bij Su is één meegenomen trial later ingetrokken waarna opnieuw gerekend moest worden. Die intrekking staat in de erratumliteratuur bij de oorspronkelijke publicatie en niet in de analyse zelf.
Angst vóórkomen bij wie er geen last van heeft keert de richting om. In vijf studies met bijna 1.400 deelnemers (PMID 31647041) lag de angstscore in de omega 3-groep licht hóger. Het verschil is zo klein dat het praktisch niets betekent, en geen van die vijf studies was goed opgezet. Op de vraag die er echt toe doet, hoeveel mensen daadwerkelijk angstklachten ontwikkelden, bewoog er niets. Dat laatste komt wel uit één enkele studie, en die was zo klein dat “geen verschil” hier eigenlijk “we weten het niet” betekent.
Zwangerschap en de periode na de bevalling
De omega 3-status vroeg in de zwangerschap zegt wel degelijk iets. In een cohortstudie onder 242 vrouwen (PMID 36716632) hadden vrouwen met een hogere DHA-waarde ongeveer half zoveel kans op een depressie een jaar na de bevalling.
Slikken verandert dat beeld niet aantoonbaar. Een gebundelde analyse van achttien trials met ruim 4.000 deelnemers (PMID 32898343) vindt over alles heen een klein gunstig effect, maar de studies lopen onderling extreem ver uiteen. De subgroepen verklaren ongeveer de helft van die spreiding, en zodra je ze opsplitst blijft er weinig staan:
| Groep | Wat eruit kwam |
|---|---|
| Tijdens de zwangerschap | vrijwel niets, en daar zijn de studies het opvallend over eens |
| Bij vrouwen die al depressief waren | wijst gunstig, maar te wisselend om op te bouwen |
| Na de bevalling | wijst gunstig, maar te wisselend om op te bouwen |
| Studies specifiek over postnatale depressie | wijst gunstig, maar te wisselend om op te bouwen |
De auteurs raden het af tijdens de zwangerschap, omdat er geen effect is en de studies het daar opvallend over eens zijn. Voor depressie ná de bevalling noemen zij het wel een veelbelovende aanvulling op de behandeling.
Wees voorzichtig met dat woord “veelbelovend”. Bij die drie gunstig ogende groepen is de spreiding zo breed dat er ook een effect de verkéérde kant op in past. Dat is iets anders dan een klein voordeel. De ISNPR-richtlijn adviseert hier trouwens het tegenovergestelde en beveelt gebruik bij zwangeren juist aan; de expertgroep achter die richtlijn geeft zelf toe dat juist bij bijzondere groepen veel adviezen op dunne onderbouwing rusten.
Zie ook Zwangerschap en neonatale periode voor wat omega 3 in deze periode wél doet.
Posttraumatische stressstoornis voorkomen na een ongeval
Honderdtien ongevalspatiënten kregen omega 3 of een placebo (PMID 26335087). Er kwam geen verschil uit, en de cijfers wezen zelfs licht ongunstig: 11,1% van de omega 3-groep ontwikkelde PTSS tegenover 5,5% van de placebogroep. Dat verschil is nergens getoetst, dus lees het als ruis en niet als schade.
Eén detail verklaart mogelijk waarom er niets uitkwam. Het gebruikte preparaat bevatte tien keer zoveel DHA als EPA. Dat is precies omgekeerd aan wat bij depressie werkt. In een aparte analyse van dezelfde trial (PMID 27552592) bleek dat deelnemers bij wie de EPA-waarde in het bloed het meest steeg, ook de minste klachten hadden. Dat is een waarneming binnen de behandelde groep en geen echte vergelijking, dus je kan er geen conclusie op bouwen. Het past wel in de lijn van dit hele hoofdstuk.
Veiligheid bij deze hoeveelheden
Dit hoort erbij juist omdat de aanbevolen dosis fors is.
- Cochrane hield bijwerkingen apart bij over 24 studies. Er waren er wat meer in de omega 3-groep, maar het verschil was te wisselend om iets te betekenen. Hun eigen formulering laat zowel een kleine daling als een bescheiden stijging open.
- De ISNPR-richtlijn vraagt zelf om het volgen van maagdarm- en huidklachten en om een volledig metabool bloedonderzoek.
- Mocking sluit zijn analyse af met de oproep om de langetermijneffecten van hooggedoseerde EPA goed in de gaten te houden.
Eén tot 2 gram zuivere EPA per dag komt, afhankelijk van het product, neer op ongeveer 1 tot 3,3 gram EPA plus DHA in totaal. Dat is het bereik waarin het signaal voor boezemfibrilleren speelt, en dat geldt bij mensen met een hoog hartrisico. Zie Veiligheid en interacties.
Wat je hiermee doet
- Kijk eerst naar de verhouding, dan pas naar de dosis. Bij depressie is een DHA-dominant product een ander middel, geen zwakkere versie van hetzelfde.
- Reken op de EPA-regel achterop het etiket, nooit op het totaal aan visolie op de voorkant.
- Naast een lopende behandeling, niet ervoor in de plaats.
- Preventief bij iemand die niet depressief is: doe het niet. De grootste trial wijst daar licht de verkeerde kant op.
- Het profiel met de meeste kans is een volwassene met een depressie, verhoogde ontstekingswaarden en overgewicht. Dat rust op één studie van 61 patiënten waar de onderzoekers zelf geen toets op hebben losgelaten.
- Bij jongeren is er geen basis voor. De trial die de aanbeveling zuiver toetste vond niets.
- Check de medicatie-interactie. Slikt iemand psychofarmaca, bloedverdunners of andere medicatie, laat het dan afstemmen met wie die medicatie voorschrijft. Zie Veiligheid en interacties.
De doses in dit hoofdstuk zijn de doses die de studies en richtlijnen noemen, in hun eigen context. Lees ze als onderzoeksgegevens, niet als doseringsadvies.
Voor het dosisbereik per uitkomst, zie Dosering. Voor de vraag of je bloedwaarde voorspelt wie er baat bij heeft, zie Omega 3-index.
Kernbronnen
De cijfers achter de tekst hierboven staan hier, zodat een arts of criticus ze kan narekenen.
- PMID 21939614 — Sublette ME, et al. Meta-analysis of the effects of eicosapentaenoic acid (EPA) in clinical trials in depression. J Clin Psychiatry. 2011. Effectgrootte 0,532 (95% BI 0,277 tot 0,733; p < 0,001) bij EPA ≥ 60%; 0,026 in de ongunstige richting (-0,200 tot 0,148; p = 0,756) daaronder
- PMID 31383846 — Liao Y, et al. Efficacy of omega-3 PUFAs in depression: A meta-analysis. Transl Psychiatry. 2019. SMD -0,28 (p = 0,004)
- PMID 40049535 — Kong L, et al. Exploration of the optimized portrait of omega-3 polyunsaturated fatty acids in treating depression. J Affect Disord. 2025. SMD -0,26 (-0,41 tot -0,11); respons RR 0,99, remissie RR 1,17, bijwerkingen RR 1,07
- PMID 31480057 — Guu TW, et al. International Society for Nutritional Psychiatry Research Practice Guidelines for Omega-3 Fatty Acids in the Treatment of Major Depressive Disorder. Psychother Psychosom. 2019
- PMID 31655818 — Thesing CS, et al. Response to the ISNPR Practice Guidelines for Omega-3 Fatty Acids in the Treatment of Major Depressive Disorder. Psychother Psychosom. 2020
- PMID 35311615 — Sarris J, et al. Clinician guidelines for the treatment of psychiatric disorders with nutraceuticals and phytoceuticals: WFSBP and CANMAT Taskforce. World J Biol Psychiatry. 2022. Adjuvant “Recommended” (+++), monotherapie “Not Currently Recommended” (+/-)
- PMID 34817851 — Appleton KM, et al. Omega-3 fatty acids for depression in adults. Cochrane Database Syst Rev. 2021. SMD -0,40 (95% BI -0,64 tot -0,16), omgerekend circa 2,5 punt Hamilton (1,0 tot 4,0) tegen een drempel van 3,0; remissie OR 1,13 (0,74 tot 1,72), respons OR 1,20 (0,80 tot 1,79); bijwerkingen OR 1,27 (0,99 tot 1,64) over 24 studies; bewijskracht zeer laag
- PMID 26978738 — Mocking RJ, et al. Meta-analysis and meta-regression of omega-3 polyunsaturated fatty acid supplementation for major depressive disorder. Transl Psychiatry. 2016. SMD 0,398 (0,114 tot 0,682; p = 0,006) na correctie voor publicatiebias, met omgekeerde tekenconventie; EPA-dosis in meta-regressie p = 0,009
- PMID 40314175 — Cheng YC, et al. Comparative efficacy and tolerability of nutraceuticals for depressive disorder: a network meta-analysis. Psychol Med. 2025. 192 trials, 17.437 patiënten; adjuvant SMD 1,04 (0,64 tot 1,44), monotherapie SMD 0,6 (0,32 tot 0,88), met een antidepressivum als vergelijker
- PMID 34932079 — Okereke OI, et al. Effect of Long-term Supplementation With Marine Omega-3 Fatty Acids vs Placebo on Risk of Depression (VITAL-DEP). JAMA. 2021. 18.353 deelnemers, mediaan 5,3 jaar, 1 g visolie (465 mg EPA, 375 mg DHA); depressierisico 13,9 tegen 12,3 per 1.000 persoonsjaren, HR 1,13 (1,01 tot 1,26; p = 0,03); stemmingsscore 0,03 punt (-0,01 tot 0,07; p = 0,19)
- PMID 30835307 — Bot M, et al. Effect of Multinutrient Supplementation and Food-Related Behavioral Activation Therapy on Prevention of Major Depressive Disorder (MooDFOOD). JAMA. 2019. OR 1,06 (0,87 tot 1,29); multivitamine met 1.412 mg omega 3, selenium, foliumzuur, vitamine D en calcium
- PMID 39306009 — Cheng YC, et al. The N-3 polyunsaturated fatty acids supplementation to prevent depression recurrence in patients with late-life depression. J Affect Disord. 2025. 39 deelnemers, 52 weken, 1,2 g EPA plus 1 g DHA; terugval HR 0,295 (0,093 tot 0,931; p = 0,037)
- PMID 39564892 — Campisi SC, et al. Omega-3 fatty acid supplementation for depression in children and adolescents. Cochrane Database Syst Rev. 2024. 5 trials, 228 deelnemers; zelfgerapporteerde klachten SMD -0,34 (95% BI -0,85 tot 0,17), bewijskracht zeer laag; remissie 50% tegen 48%; spierkrampen 13/27 tegen 6/29
- PMID 41481294 — Berger G, et al. ω-3 Fatty Acids in Pediatric Major Depressive Disorder: A Randomized Clinical Trial. JAMA Netw Open. 2026. 257 jongeren, 36 weken, 1 g EPA plus 0,5 g DHA bovenop psychotherapie; verschil 0,77 punt (95% BI -1,39 tot 2,93; p = 0,49); respons 31,2% tegen 39,1%, remissie 31,9% tegen 41,1%; omega 3-index +4,33%; 45 tegen 31 ernstige bijwerkingen, waaronder 28 suïcidepogingen, geen sterfgevallen
- PMID 36635595 — Lamon-Fava S, et al. Clinical response to EPA supplementation in patients with major depressive disorder is associated with higher plasma concentrations of pro-resolving lipid mediators. Neuropsychopharmacology. 2023. 61 patiënten (BMI > 25, hs-CRP ≥ 3 µg/mL), EPA 1, 2 of 4 g/dag; respons in de 4-gramsgroep Cohen’s d = 0,53 zonder toets; mechanisme-analyse op 42 voltooiers, 18-HEPE en 13-HDHA p < 0,05
- PMID 39912390 — Dyall SC, et al. Omega-3 polyunsaturated fatty acids in depression: insights from recent clinical trials. Curr Opin Clin Nutr Metab Care. 2025
- PMID 42100925 — Yao Y, et al. Causal Relationship of Polyunsaturated Fatty Acids With Mental Disorders: A Systematic Review and Meta-analysis. Nutr Rev. 2026. Mendeliaanse randomisatie; instrumenten gedomineerd door het FADS1/FADS2-gebied
- PMID 30646157 — Su KP, et al. Association of Use of Omega-3 Polyunsaturated Fatty Acids With Changes in Severity of Anxiety Symptoms. JAMA Netw Open. 2018. 19 trials, 2.240 deelnemers; drempel circa 2 g/dag
- PMID 38890670 — Bafkar N, et al. Efficacy and safety of omega-3 fatty acids supplementation for anxiety symptoms. BMC Psychiatry. 2024. 23 trials, 2.189 deelnemers
- PMID 31647041 — Deane KHO, et al. Omega-3 and polyunsaturated fat for prevention of depression and anxiety symptoms. Br J Psychiatry. 2021. 5 studies, 1.378 deelnemers; angstscore SMD +0,15 (95% BI 0,05 tot 0,26), hogere score betekent meer angst; incidentie RR 1,00 (0,32 tot 3,10) uit één studie
- PMID 36716632 — Osuna E, et al. Higher n-3 polyunsaturated fatty acid status during early pregnancy is associated with lower risk for depression at 12 months postpartum (NuPED). Prostaglandins Leukot Essent Fatty Acids. 2023. 242 vrouwen; hogere DHA OR 0,56
- PMID 32898343 — Mocking RJT, et al. Omega-3 Fatty Acid Supplementation for Perinatal Depression: A Meta-Analysis. J Clin Psychiatry. 2020. 18 trials, 4.052 deelnemers; totaal SMD -0,236 (95% BI -0,463 tot -0,009; p = 0,042), I² = 88,58; tijdens zwangerschap SMD -0,071; reeds depressief SMD -0,545 (-1,182 tot 0,093; p = 0,094); na bevalling SMD -0,656 (-1,690 tot 0,378; p = 0,214); postnatale depressie SMD -0,886 (-2,088 tot 0,316; p = 0,149)
- PMID 26335087 — Matsuoka Y, et al. Docosahexaenoic acid for selective prevention of posttraumatic stress disorder among severely injured patients. J Clin Psychiatry. 2015. 110 patiënten; PTSS-schaal p = 0,572; incidentie 11,1% tegen 5,5%, niet getoetst; preparaat 1.470 mg DHA op 147 mg EPA
- PMID 27552592 — Matsuoka YJ, et al. Change in blood levels of eicosapentaenoic acid and posttraumatic stress symptom: A secondary analysis. J Affect Disord. 2016. EPA-stijging tegen klachten p = 0,001, binnen de behandelde groep